Verengelsing is goed

In mei dit jaar [2018, red.] spande Beter Onderwijs voor Nederland (BON) een rechtszaak aan tegen de universiteiten Twente en Maastricht. Zij zouden zonder geldige reden opleidingen in het Engels aanbieden. BON beweerde dat deze universiteiten studies en onderdelen daarvan alleen in het Engels aanbieden om zo te kunnen profiteren van het instellingstarief dat buitenlandse studenten moeten betalen. De rechtszaak is een nieuwe episode in de taalstrijd die gaande is binnen het Nederlandse hoger onderwijs. Steeds meer studies en vakken worden in het Engels aangeboden. Tegenstanders vinden dat het ten koste gaat van het Nederlands van studenten, dat het Engels een drempel vormt bij het hebben van discussies in colleges en dat docenten de Engelse taal soms onvoldoende beheersen. Voorstanders stellen dat buitenlandse studenten de universiteiten en studies verrijken met hun andere achtergrond en nieuwe kijk. Bovendien worden Nederlandse studenten zo goed klaargestoomd voor internationale banen en een tweetalig wordend Nederland.

In de argumenten van beide kanten zit een kern van waarheid. Ze zijn echter afgezaagd en lijken de daadwerkelijke ontwikkelingen ook niet bij te houden. Deze wijzen namelijk uit dat verengelsing goed is. Een voorbeeld hiervan is de verengelsing die reeds heeft plaatsgevonden en plaatsvindt binnen de faculteit geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht. Voor een betere inkijk in de verengelsing aan deze faculteit ging ik in gesprek met Prof. dr. Annelien de Dijn en Dr. Frank Brandsma. Uit hun ervaringen met verengelsing en betrokkenheid bij het geven en verzorgen van Engelstalig onderwijs blijkt dat verengelsing wel degelijk iets goeds is.

Dr. Frank Brandsma is afdelingshoofd en docent van de bachelor Literatuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht. Deze bachelor is sinds het begin van dit academisch jaar zowel een Engelstalige als een Nederlandstalige opleiding. De twee tracks lopen volledig parallel en leveren aan het einde ook hetzelfde diploma op. Hierdoor kan tijdens het jaar ook worden gekozen om over te stappen van de Nederlandstalige track naar de Engelstalige track en andersom. Het aanbieden van twee gelijkwaardige tracks zorgt er volgens Dr. Brandsma voor dat de studenten worden opgeleid tot tweetalige academici en de arbeidsmarkt zo beter kan worden bediend. Daarnaast kunnen er buitenlandse studenten worden aangetrokken met een maar zelden aangeboden Engelstalige bachelor literatuurwetenschap.

De vraag is of dit voorbeeld van verengelsing succesvol is geweest. Volgens Frank Brandsma is de overgang op twee gelijkwaardige tracks tot nu toe een succes. ‘Onze opleiding is verdubbeld en we hebben een groep van 50 eerstejaars haast gelijkwaardig verdeeld over de twee tracks’, aldus Brandsma. Verder merkt hij op dat het niveau in met name de Engelstalige colleges hoger is dan voorheen: ‘Studenten uit andere landen met een andere insteek zijn een verrijking voor je programma’. De studenten stellen betere vragen en er lijken veel intelligente studenten te zijn aangetrokken. Dit is uiteraard niet per se te danken aan de nieuwe Engelse track, maar simpelweg aan de intelligentie van de studenten. Zij zijn echter wel aangetrokken door deze nieuwe track waardoor deze indirect al een positief effect heeft op het onderwijs. Voor Brandsma zijn het aantrekken van buitenlandse studenten en het bereiken van een hoger niveau niet de enige successen: ‘Wij zijn heel blij met die buitenlandse studenten, maar eigenlijk zijn we nog een beetje blijer met de Nederlandse studenten die er nog steeds zijn. We willen namelijk het liefst beide tracks naast elkaar behouden’.

Voor Prof. Dr. Annelien de Dijn is het uitgangspunt van het Hoger Onderwijs duidelijk: ‘Studenten willen de beste medestudenten en docenten willen de beste collega’s’. Volgens De Dijn kan je dit het beste bereiken door buitenlanders aan te trekken en zo je kiesvijver te vergroten. Je vergroot deze vijver namelijk van circa zeventien miljoen Nederlanders, naar circa 450 miljoen Europeanen. De Dijn is zelf afkomstig uit Vlaanderen (België) en studeerde en deed onderzoek in vooral de Verenigde Staten en Nederland. Zij was dus zelf ook een zogenoemde international. De Dijn stelt uit eigen ervaring dat het voor elke student goed is om in het buitenland te studeren en het dus niet gek is dat buitenlandse studenten naar Nederland komen. Voor de Nederlandse studenten betekent dit volgens haar alleen maar een positieve bijkomstigheid: ‘Het mooie voor de Nederlandse studenten is dat zij voor die ervaring met het buitenland niet eens de grens over hoeven, maar die ervaring al in hun eigen achtertuin krijgen’. Ook in de hoorcolleges voor moderne geschiedenis die De Dijn in zowel Engels als Nederlands verzorgt, ziet zij dat deze buitenlandse invloed voor nieuwe vragen en perspectieven zorgt en zo een verrijking is voor het onderwijs.

Natuurlijk kan verengelsing niet overal en zomaar succesvol worden doorgevoerd. Volgens Brandsma moet de verengelsing wel zinvol zijn. Zo moet het niet worden toegepast wanneer studenten voor de Nederlandse arbeidsmarkt worden opgeleid of je als opleiding tegen een materiaal probleem aanloopt. De Dijn noemt als belangrijkste voorwaarden voor een succesvolle verengelsing een internationaal docentenkorps en een infrastructuur binnen een opleiding die is afgesteld op internationale studenten. Brandsma sluit zich hierbij aan en voegt daar nog een geïnteresseerde doelgroep en een beetje meer investering van tijd aan toe.

Zowel Brandsma als De Dijn wijzen voor het belang van verengelsing ook naar buiten de Universiteit Utrecht. Brandsma stuurt met name op de concurrentie met andere universiteiten: ‘De Bachelor taalwetenschap loopt een jaar op ons achter en die zien nu omdat Amsterdam en andere opleidingen nu helemaal Engelstalig zijn, dat zij nog maar de helft van hun normale aantal studenten hebben’. Je ziet hier dat de verengelsing ook voor Nederlandse studenten interessant blijkt te zijn. Sterker nog, Nederlandse studenten hebben soms baat bij verengelsing om zo het niveau van hun opleiding en het aantal medestudenten te behouden. Waar Brandsma binnen Nederland blijft, kijkt De Dijn de grens over naar Vlaanderen. Daar speelt al sinds het ontstaan van België een taalstrijd tussen het Vlaanderen en Wallonië: ‘Vlaanderen is hierdoor in een soort kramp geschoten en is daardoor nu erg angstvallig is voor het gebruik van het Vlaams. Door die strijd is ook een soort defensieve houding gekomen tegen niet alleen het Frans, maar ook het Engels’. Dit heeft tot gevolg dat het erg lastig is om in Vlaanderen Engelstalige opleidingen te creëren. Volgende Prof. dr. De Dijn is dit mede de reden dat het hoger onderwijs in Nederland beter is dan dat in Vlaanderen.

Ik kan niet anders concluderen dan dat verengelsing goed is. Dit blijkt mede uit succesvolle processen van verengelsing binnen de faculteit geesteswetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Mits een opleiding voldoet aan een aantal belangrijke voorwaarden zoals onder anderen een internationaal docentenkorps en een passende infrastructuur voor internationaal onderwijs kan deze geslaagd verengelsen. De buitenlandse studenten zijn met hun andere achtergrond en nieuwe kijk een verrijking en buitenlandse ervaring voor Nederlandse studenten en zorgen bovendien voor een hoger niveau in colleges. Daarnaast hebben Nederlandse studenten baat bij verengelsing om zo het niveau en studentenaantal van hun opleiding en de positie van het Nederlandse hoger onderwijs ten opzichte van andere landen te behouden of te verbeteren. Waar passend en noodzakelijk is verengelsing dus goed.

~ Wieger Lagerveld, uit jaargang 34 nummer 1

Advertentie