Een stadsmuseum in een globaliserende wereld

Ik ben als directeur van Museum Rotterdam altijd verheugd dat er over ons museum wordt geschreven en aandacht wordt gevraagd voor onze rol in de stad. Dat is een zoektocht, een puzzel, en dat wordt in het artikel van Suzanne Friskes ook duidelijk. In 2010 hebben wij de naam historisch geschrapt uit de naam van het museum, evenals het Amsterdam Museum dat deed en om dezelfde reden. We hebben natuurlijk een historische collectie, maar door de naamswijziging wilden we tot uitdrukking brengen dat we ook een museum van en voor de stad zijn. De beslissing was ook genomen met het oog op de vergevorderde plannen voor een nieuw stadsmuseum. Vanwege de economische crisis en de drastische bezuinigen op cultuur die daarop volgden ging dat niet door. We sloten onze historische panden en waren vanaf 2013 tot 2016 een pop-up museum, een museum dat her en der in de stad opdook. In 2016 heropende Museum Rotterdam in het Timmerhuis, het nieuwe icoon van Rem Koolhaas. Het museum huurt daar voor vijf jaar 1.700 m2; voor een wereldstad heeft Rotterdam dus een zeer klein stadsmuseum. Niet alleen is het museum klein behuisd, het gebouw is ook niet ontworpen als museum. We woekeren niet alleen met de ruimte, ook moeten we zeer improviseren om ons verhaal van de stad te presenteren. In principe gaan we ervan uit dat dit een tijdelijke locatie is. We hopen dat we onze plannen voor een nieuw stadsmuseum ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Dat nieuwe stadsmuseum zal een visie moeten geven op de veranderende stad en als kennisinstituut van de stad werkzaam zijn.

Deze achtergrond is om de kritiekpunten van Suzanne te kunnen plaatsen. Voor haar bijdrage verwijst ze naar een interview met mij in de NRC uit 2016. Daarin staat letterlijk: “Hoe raken mensen met een andere culturele achtergrond toch betrokken bij het erfgoed? Door ze in staat te stellen om hun eigen interpretatie eraan te geven. Wij doen daarom niet aan glamour heritage, maar bonding heritage.” Daarmee heb ik niet willen zeggen – en zo is het door Suzanne wel opgevat – dat ik nostalgie gelijkstel aan glamour heritage. Ik probeerde duidelijk te maken dat een stadsmuseum een andere functie heeft dan een kunstmuseum. Glamourerfgoed past in de wereld van de geglobaliseerde cultuur- en vermaaksindustrie. Dit erfgoed wordt gecreëerd en gevoed door een internationale, transnationale creatieve elite, die grensoverschrijdende allianties aangaat en in elke wereldstad op zijn wenken wordt bediend. Hoe zorg je ervoor dat het erfgoed van de stad verbindt met Rotterdammers die weliswaar een nauwe band met de stad hebben, maar de collecties en de exposities niet noodzakelijkerwijs aansluiten op hun ervaringen en achtergronden?

Ik zet me zeker niet af tegen wat andere musea doen. Dat is een misvatting. Elk museum heeft zijn eigen overwegingen om datgene te presenteren dat het beste aansluit op de behoeften van de stad. In Rotterdam denk ik dat we vooral moeten proberen om als stadsmuseum relevant te zijn voor de stad en dus ook aansluiting zoeken bij de veranderende samenstelling van de bevolking. Natuurlijk betekent dat ook dat we moeten proberen om onze historische collectie die rol te laten vervullen.

Dat is een zoektocht en het Timmerhuis wordt door ons actief benut om met het erfgoed te experimenteren. De opstelling Rotterdammers en hun Stad met de standbeelden en de presentatie van het Echt Rotterdams Erfgoed zijn daar een voorbeeld van. Voor ons had dat ook een praktische kant. De voorste ruimte van het museum is een etalage. En omdat deze ruimte vanwege het klimaat zich niet leent voor een collectiepresentatie was het ook logisch om deze te benutten voor deze doelstelling. De vaste opstelling is in containervitrines geplaatst. Geen ideale opstelling – dat moet ik Suzanne nageven – maar ook ingegeven door de noodzaak dat het de enige mogelijkheid was om collectie in geklimatiseerde toestand te presenteren. De voorwerpen – het zijn er circa 1.000 en veel meer dan menig bezoeker denkt – staan door deze keuze ook dicht op elkaar. Ze passen in de Rotterdamse canon, zoals die door scholen wordt benut.

Nostalgie werkt, maar zeker niet voor iedereen. De expositie Coolsingel heeft dat ook bewezen. Gemiddeld waardeerde de bezoeker deze met een 8,6. Ik ben natuurlijk zeer verheugd dat we vele Rotterdammers hebben kunnen plezieren met een verhaal van de stad opgehangen aan de grote transformaties in de stad. Wat mij als directeur echter bezighoudt is dat we boven op de stad moeten zitten om deze in kaart te brengen en voeling te houden met wat er nu in de stad gebeurt. We moeten niet de fout maken ons zozeer door het nostalgisch verlangen te laten leiden, dat we de stad van nu vergeten. Dat kan een stadsmuseum zich niet veroorloven. De collectiegeschiedenis van het museum leert dat dat belangrijk is. Zo hebben we in het verleden verzuimd om de groei van de grote werkstad aan het einde van de negentiende eeuw in voorwerpen en immaterieel erfgoed vast te leggen. Bezoekers die ook met gevoel van nostalgie terugkijken naar dit tijdvak in Rotterdam betreuren dat. En dat moeten we in de toekomst voorkomen.

~ Paul van de Laar, uit jaargang 33 nummer 3

Advertenties