Symposium

Op vijf maart vond het jaarlijkse diessymposium van de UHSK plaats, dat ik met enkele anderen georganiseerd heb. Het ging een hele dag over nationalisme, migratie en identiteiten. Het verleden houdt met betrekking tot deze thema’s de gemoederen tot ver buiten de Drift bezig. Het lijkt wel alsof opiniemakers en politici zich steeds vaker onderdompelen in de geschiedenis op zoek naar de fundamenten van identiteiten en beelden van verre toekomsten. Het verleden wordt ons vaak als spiegel voorgehouden die ons laat zien hoe vervormt het heden is en daarmee ook toont hoe de toekomst eruit moet zien. In de Tweede Kamer wordt weer gedweept met Spengleriaanse narratieven over de opkomst en ondergang van, al dan niet homeopathisch verdunde, volken. Deze narratieven dachten we als historici kwijt te zijn, met dank aan de postmodernisten. Niets is minder waar.

Hoe moeten we omgaan met de asymmetrie tussen de inzichten van de professionele geschiedschrijving en het gebruik van het verleden voor het leven in de maatschappij?

Hoe kan er een gesprek plaatsvinden tussen de Drift en de buitenwereld als historici ervan uitgaan dat gender een performatief sociaal construct is en, anderzijds, een groot deel van de bevolking naar zenders kijkt die ‘meer voor mannen’ bieden?

Enerzijds proberen historici te ontsnappen aan methodologisch en banaal nationalisme, terwijl dezelfde historici alleen aan het publiek debat mogen lijken te doen als ze over het nationale verleden komen praten.

Zoals dit blad betaamt, ga ik hier geen oplossing schetsen, maar moet de lezer het doen met een aanzet. De oplossing ligt in ieder geval niet in het aanpassen van de boodschap aan het publiek. Als historici zich in de publieke sfeer mengen moeten ze zich niet naar het heersende discours schikken. Jeroen Koch en Geert Mak zijn hier goede voorbeelden van. Koch doet met zijn biografieën van Willem I en Abraham Kuyper geen moeite om de trias God, Koning en Vaderland uit onze hoofden te bannen. De ‘linkse’ Geert Mak verankert het elitaire mannelijke perspectief op de geschiedenis van Amsterdam nog eens goed door over de familie Six te schrijven. Biografieën zijn sowieso een verdacht fenomeen, maar daarover een andere keer meer.

In de handen van Koch en Mak vervalt geschiedschrijving tot entertainment. Bestaande denkkaders worden gereproduceerd zonder kritische noten. Als historici hun taak, die Nietzsche ze mee heeft gegeven, om het verleden voor het huidige leven in te zetten serieus nemen, dan zouden dit soort boeken nooit kunnen verschijnen.

De historicus zou zich als een horzel moeten opstellen die constant gangbare meningen problematiseert. Of zoals Tweede Kamerlid Tunahan Kuzu op het symposium zei: ‘Er moet contrasemantiek ontwikkeld worden.’  Een voorbeeld hoe deze pogingen het grote publiek kunnen bereiken ligt misschien in de populaire geschiedschrijving van de jaren zeventig. In het werk van, bijvoorbeeld, Ginzburg worden nationale denkkaders niet klakkeloos overgenomen. Naast de werken Gramsci en Foucault die alle studenten zouden moeten lezen om hegemoniale discoursen te begrijpen, vormen deze populairdere boeken een welkome en toch nuttige afwisseling.

 

Marin Kuijt is 20 jaar en studeert geschiedenis en filosofie. Hij is tevens lid van de Opleidingscommissie Geschiedenis. Binnen de geschiedenis gaat zijn interesse uit naar cultuurgeschiedenis en theoretische geschiedenis.

Advertenties