De Minor Centraal

Met ingang van studiejaar 2017-2018 vervalt binnen de faculteit Geesteswetenschappen de verplichte minor als eis om te kunnen afstuderen. Dat betekent dat er vanaf volgend jaar voor de meeste geesteswetenschappers geen keuzestress meer zal bestaan over welk zogenaamd ‘samenhangend geheel aan vakken’ ze zullen volgen, zonder dat ze daar binnen hun zorgvuldig uitgekozen studie per se op zaten te wachten.

Althans, voor bíjna alle geesteswetenschappers. Het departement Geschiedenis- en Kunstgeschiedenis blijkt een vreemde eend in de bijt. Daar blijft de verplichte minor binnen de eigen faculteit gewoon onderdeel uitmaken van de curriculaire eisen. Aanzet ging in gesprek met Lisa Korteweg, assessor van de faculteit Geesteswetenschappen, en Stichting OER, de studentenorganisatie die jaarlijks een groot onderzoek doet naar het onderwijs aan de UU – dit jaar betrof het thema ‘interdisciplinariteit.’ De minor blijkt centraal te staan in diverse onderwijsdebatten.

‘Uit onderzoek van de universiteit zelf blijkt dat studenten over het algemeen liever zelf bepalen welke vakken ze in hun vrije ruimte kiezen. Een minor zou die mogelijkheid beperken: voor het faculteitsbestuur een reden om de verplichting tot het volgen van een vooraf bepaald vakkenpakket van de minor af te schaffen,’ aldus assessor Lisa Korteweg. ‘De beslissing raakt aan een breder debat over het universitaire onderwijs in het algemeen. Moet een student na een afgeronde bachelor in het bezit zijn van uiteenlopende algemene kennis, of is het juist belangrijk dat de alumnus zich als specialist kan onderscheiden?’

Op het eerste gezicht lijkt de minor de studenten tot verbreding aan te zetten. Korteweg: ‘Een verplichte minor en het brede onderwijs dat het tot gevolg zou hebben, zou de universiteit interdisciplinair kunnen maken.’ En interdisciplinariteit is natuurlijk goed. Zo goed zelfs, dat ‘geen enkele opleiding of discipline zal ontkennen interdisciplinair te zijn,’ aldus Maarten Schellens en Sarah Romijn van Stichting OER (Onderwijs Evaluatie Rapport). Deze onderzoekscommissie, gevormd door studenten, presenteert 27 juni hun rapport over ‘interdisciplinariteit’ aan de Universiteit Utrecht.

‘Volgens ons bestaat er een groot verschil tussen interdisciplinariteit, en multidisciplinariteit,’ aldus Maarten Schellens. Aan de ene kant draait het bij interdisciplinariteit om het integreren van verschillende methodes met betrekking tot discipline-overschrijdende thema’s. Anderzijds betekent multidisciplinariteit een aanpak van afgescheiden onderwijspakketten die naast elkaar bestaan, maar verder geen interactie kennen. Dit is een wezenlijk verschil. Wanneer een antropologiestudent een minor volgt bij wiskunde, wil dat natuurlijk niet zeggen dat hij of zij zich vanaf dat moment zal inspannen etnografische problemen door middel van wiskundige formules op te lossen. In dat verband zou je je kunnen afvragen of de verbreding door middel van een verplichte minor slechts voor multidisciplinariteit zorgt – en is interdisciplinariteit een grote stap verder.

Volgens Maarten Schellens van Stichting OER zijn studenten vooral pragmatisch. ‘Is het wel zo dat studenten een minor kiezen om disciplinaire grenzen over te steken? Volgens mij is er in veel gevallen vooral sprake van voorsorteren op een toekomstige master – een soort tweede keuzemoment.’ Dat is natuurlijk goed te begrijpen, zeker als dit wordt gedaan door studenten die een studie met een breed profiel volgen; de minor biedt zo een manier om het curriculum toe te spitsen.

Naast de twijfels of een minor wel datgene bereikt wat het zich tot doel lijkt te stellen, kleven er volgens assessor Korteweg ook nog enkele praktische bezwaren aan de minor. ‘Overlappende tijdslots zorgen ervoor dat studenten beperkt zijn in hun keuze, of dat er situaties ontstaan waarin de minor de vrijheid binnen de rest van de studie beperkt.’ Bovendien is het pallet van aangeboden minoren allerminst onveranderlijk: ‘sommige verdwijnen, terwijl studenten er nog niet in zijn geslaagd de desbetreffende minor af te ronden.’

Dat vraagt volgens stichting OER om flexibiliteit. In het komende rapport stellen ze meer flexibele minoren voor, waarbij verschillende vakken ingewisseld kunnen worden en er meer keuze is bínnen de minor. Ook zouden er meer thematische minoren aangeboden moeten worden, die discipline overstijgende onderwerpen zoals ‘duurzaamheid’ en ‘voedsel’ behandelen. ‘Juist dat stimuleert de integratie van verschillende vakgebieden.’

 

Ondanks dat minoren in veel gevallen slechts multidisciplinariteit in de hand werken en er praktische problemen kleven aan het samenhangende vakkenpakket, zien de assessor en stichting OER de minor in ieder geval wel als een goede en wat hen betreft blijvende aanvulling op het onderwijs. Toch gaat enkel het departement Geschiedenis en Kunstgeschiedenis zo ver een minor binnen de eigen faculteit verplicht te stellen – hoewel een stage of buitenlandsemester mogelijkheden zijn om hieraan te ontkomen. De vraag is of dat nodig is: kan het departement niet beter de keuze aan de studenten laten?

Het is in ieder geval opmerkelijk hoe kwesties omtrent de minor symptomatisch zijn van grotere onderwijsdebatten. Breed of specialistisch onderwijs, disciplinariteit of interdisciplinariteit; veel of weinig keuzevrijheid – al deze veelomvattende en verstrekkende onderwijsdebatten komen tot uiting in discussies over de plaats van de minor in het onderwijs, en de invulling daarvan. Het laat wat mij betreft zien hoe grote, moeilijk te voeren en aanvankelijk abstracte discussies over het universitair onderwijs het meest zichtbaar zijn in de keuzes die de student moet maken.

~ Martijn van der Meer

Dit artikel verscheen in Aanzet 32-3 in de rubriek Voorzet. Een reactie van Onderwijsdirecteur prof. dr. Leen Dorsman op het artikel van Martijn is te lezen in Aanzet 33-1.

Advertenties