Gezondheid!

Samen met de aanstaande bezuinigen, waar ik mijn vorige column over schreef, komen de vragen naar het nut, de waarde en de relevantie van de professionele bestudering van het verleden. Technische universiteiten krijgen een voorkeursbehandeling voor elke fantoompijn van ondernemende politici die de toekomst van de BV Nederland voor ogen zeggen te hebben. Hij die zich bezighoudt met verleden, kan echter altijd overvallen worden met vragen naar zijn nut, waarna beleefd kenbaar wordt gemaakt dat de geldkraan nog verder dicht zal gaan. Hoe zouden historici dit soort vragen moeten beantwoorden?

De ondernemende politici die spreken over nut en nadeel bedienen zich van de taal van harde cijfers, winst en valorisatie. Waarde en nut kunnen alleen nog maar geconcipieerd worden als zijnde primair economisch. Sommige historici weten hun bezigheden zo vorm te geven, dat ze kunnen gedijen binnen dit discours. Zo predikt Maarten Prak, zittend op vele miljoenen aan onderzoeksgeld, an ever closer union tussen de sociale wetenschappen en geschiedenis. Big Data, Big Questions, daaruit zouden onderzoeken moeten komen die relevant zijn voor de overheid en de economie. Maar is dit ook Big Business voor alle historici?

Het zal snel duidelijk zijn dat vele postkoloniale-, gender-, kunst- en cultuurhistorici dit soort technocratisch onderzoek niet kunnen en willen verrichten. Dit duidt erop, dat het misschien wel onmogelijk is, om op de vraag naar het nut en de waarde van de geschiedenis een antwoord te geven dat voor alle historici aantrekkelijk is.

De schipbreukelingen van NWO kunnen zich allicht laten leiden door de dichters Sylvia Plath. Zij worstelde als briljante studente ook met onze vragen. In The Bell Jar schrijft ze spitsvondig het volgende over de waarde van dichtkunst: “People were made of nothing so much as dust, and I couldn’t see that doctoring all that dust was a bit better than writing poems people would remember and repeat to themselves when they were unhappy or sick and couldn’t sleep.”[1]

Door haar tak van de geesteswetenschappen indirect in dienst te stellen van de gezondheid van mensen, fundeert Plath diens betekenis in de inherente waarde van het menselijk leven. Gezondheid en leven lijken de enige domeinen te zijn die zich onttrekken aan ‘economisering’; ze zijn ‘absoluut’ goed. Misschien moeten ook historici gaan verkondigen dat hun onderzoek in dienst staat van het leven, de gezondheid van mens en maatschappij zou ook ons aan gaan.

Nu klinkt geschiedenis voor het leven schrijven, zoals Nietzsche het noemt, misschien wel prachtig, maar tot nu toe is het niet meer dan een vaag beeld van water in een dorre woestijn.[2] Concrete pogingen om historisch onderzoek in dienst te stellen van het leven of de gezondheid moeten uitwijzen of dit de weg is naar een fata morgana of een oase. Anderzijds is juist deze vaagheid mogelijk de kracht van deze legitimatiestrategie, doordat het onduidelijk is wat precies ‘gezond’ historisch onderzoek is, kunnen vele zijtakken van de discipline zich onder deze noemer scharen. Het zou een mooi antwoord zijn op de vragen naar ons nut.

~ Marin Kuijt

Marin Kuijt is 19 jaar en studeert geschiedenis en filosofie. Hij is tevens lid van de Opleidingscommissie Geschiedenis. Binnen de geschiedenis gaat zijn interesse uit naar cultuurgeschiedenis en theoretische geschiedenis.

 

[1] Sylvia Plath, The Bell Jar (London: Heinemann, 1963), 66.

[2] Ik refereer hier aan een briljant essay van Nietzsche dat in vertaling verschenen is als: Friedrich Nietzsche, Paul Beers, en Hans Driessen, Oneigentijdse beschouwingen, De Nietzsche-bibliotheek (Amsterdam: De Arbeiderspers, 1998).

Advertenties