Dichten voor Augustus

Robin Doppenberg onderzoekt in dit artikel de invloed van Maecenas op de poëzie van Augusteïsche dichters

Ten tijde van Augustus spraken veel dichters hun lof uit over de keizer. De keizer dwong dit niet direct af, maar de poëzie werd door derden wel degelijk beïnvloed. Een van hen was de geldschieter Gaius Cilnius Maecenas. Robbin Doppenberg problematiseert de term ‘propaganda’ en beschrijft in hoeverre Maecenas druk uitoefende op zijn dichters ten gunste van Augustus.

 

Weinig mensen is de grote eer gegund dat hun naam een eponiem is geworden. Gaius Cilnius Maecenas (70 v.C. – 8 v.C.), een van de belangrijkste kunstbeschermers uit de Romeinse tijd, is een van deze gelukkigen. Een mecenas is in het Nederlands, en in veel andere talen, een ‘weldoener voor de kunsten’. Maecenas zelf was een beetje een ijdeltuit, als we de bronnen kunnen geloven. Als hij had geweten dat zijn naam in bijna alle talen een ‘weldoener voor de kunsten’ zou gaan betekenen, zou hem dat waarschijnlijk goed hebben gedaan.

 

In dit artikel ligt de nadruk op de Augusteïsche poëzie als propaganda en studie van de dan specifiek op de rol van Maecenas daarin.Het tijdperk van Augustus is namelijk een van de meest bruisende uit de Romeinse tijd, wat in het bijzonder geldt voor de literatuur. Ten tijde van Augustus komen veel invloedrijke schrijvers tot wasdom, zoals Horatius, Vergilius, Livius en Ovidius. Deze schrijvers schreven veelal onder de patronage van Maecenas, die een goede vriend van Augustus was. Veel van deze werken hebben gemeen dat ze de keizer de hemel in prijzen, als een soort literaire propaganda. Het doel van dit artikel is het beantwoorden van de vraag: wat was de rol van Maecenas in deze bloeiperiode van de literatuur?

 

Een omstreden begrip

Propaganda lijkt op het eerste oog een modern concept en het gebruik van de term is dan ook controversieel voor de studie van de Oudheid. In recent onderzoek zien classici vaak af van het gebruik van de term omwille van moderne connotaties of omdat het een officiële vaststaande ideologie zou suggereren.1 Onze moderne conceptie van de term propaganda is sterk bepaald door schrijvers als George Orwell, die alle propaganda leugens noemde, ook al spreekt iemand de waarheid.2 Ook Nederlands beroemdste historicus Johan Huizinga sprak zich erover uit:

‘Propaganda […] is de kunst om ande- ren te doen gelooven, wat ge zelf niet gelooft. Het is niet overtuigen, ook niet overreden, maar iemand iets aanpraten of althans een poging daartoe doen’.

Beide opvattingen over propaganda zijn te rigide om bruikbaar te zijn voor onderzoek naar de Oudheid Zonder te ontkennen dat propaganda een omstreden begrip is, zien sommige onderzoekers het als een werkbare theorie waarmee de Oudheid kan worden onderzocht. In The Art of Persuasion: Political Propaganda from Aeneas to Brutus beschrijft Jane DeRose Evans propaganda bijvoorbeeld als volgt:

‘[Propaganda is] the educational efforts or information used by an organized group that is made available to a selected audience, for the specific purpose of making the audience take a particular course of action or conform to a certain attitude desired by the organized group.’3

In dit artikel volg ik deze definitie. Het is belangrijk om de ‘georganiseerde groep’, welke essentieel is voor Evans’ idee van propaganda, niet te zien als een ministerie van propaganda met Maecenas aan het hoofd dat werkte met een vooropgesteld propagandaplan. De ‘georganiseerde groep’ is in dit geval vooral Augustus zelf, met in mindere of meerdere mate Maecenas. Hetzelfde geldt voor de ideologie die Augustus wilde uitdragen, die niet dient te worden gezien als een rigide dogmatische denkvisie. Duncan Kennedy beschrijft het treffend: ‘“Augustan ideology” exists […] only in an ideal sense, having been shaped and generated by the forces it sought to dominate.’4 Zo wisten Augustus en Maecenas dat je dichters niet kan dwingen geniale poëzie te schrijven.5 Bovendien konden ze ook andere methodes gebruiken om het volk te bereiken, zoals in edicten, publicaties in gazetten of eenvoudigweg de senaat vragen of dwingen om actie te ondernemen op een bepaald onderwerp. Hij had niet per definitie de dichters nodig om te fungeren als mondstuk van zijn nieuwe keizerrijk. Maecenas moet, kortom, niet simpelweg gezien worden als een minister van propaganda.6

 

Vriendschap en persvrijheid

Wat was dan wel Maecenas’ rol? Treffend is dat hij vele vriendschappen onderhield met dichters: vanuit onze gelimiteerde bronnen kunnen we er al negen noemen.7 Hij kan daarom worden vergeleken met andere invloedrijke literaire patroons van deze tijd, zoals Messala, die wellicht met nog meer in verband kan worden gebracht.8 Wat patronage precies inhield en welke mate van invloed de patroons hadden op de gedichten blijft echter ingewikkeld. Wel weten we dat veel van deze dichters bevriend waren met hun patroon, zoals bijvoorbeeld het geval is bij Maecenas en Horatius.

Wat deze kwestie interessant maakt, is het feit dat de dichters die onder patronage stonden bij Maecenas verantwoordelijk zijn voor bijna alle lofredes op Augustus. Dit in tegenstelling tot Messala’s schrijvers, van wie er geen één bekend is. Dit lijkt er dus op te wijzen dat Maecenas dichters ‘rekruteerde’ om het nieuwe regime te ondersteunen. Het is waarschijnlijk dat deze dichters a priori de ideeën van Augustus een warm hart toedroegen: waarschijnlijk behoorden ze al tot zijn politieke vrienden. Om Peter White’s definitie van Romeinse vriendschap te gebruiken:

‘Friendship as Roman writers present it is based not so much on personal chemistry or economic parity as on ethical congruence: one chooses friends whose ideals and morals parallel one’s own.’9

Maecenas fungeerde dus als verbindende factor tussen de schrijvers, die de idealen en de nieuwe richting van Augustus een goed hart toe droegen, en de keizer, die een stem (en een ‘ziel’) aan zijn nieuwe regime wilde geven. In een artikel uit 2005 gaat Jasper Griffin in op de vraag hoe deze ‘rekrutering’ van dichters in zijn werk ging.10 Griffin gelooft dat Maecenas en Augustus zich afvroegen welke rol de dichters konden spelen in de nieuwe dynastie. Vervolgens noemt hij twee manieren waarop dichters konden helpen. Ten eerste konden lofredes de positie van Augustus als hoofd van het rijk versterken. Daarnaast konden ze van nut zijn bij het verkrijgen van meer algemene steun voor Augustus’ morele en sociale wetten voor een nieuw Rome. De combinatie moest ervoor zorgen dat Rome een dynastie kreeg die zou kunnen voortleven.11

Belangrijk is dat er geen persvrijheid bestond onder Augustus’ heerschappij.Toch was er, zeker in het midden van zijn regeerperiode, sprake van een bepaalde tolerantie van Augustus op het gebied van (literaire) kritiek. Een brief aan Tiberius laat dit goed zien:

‘Mijn beste Tiberius, laat je in deze kwes- tie niet meeslepen door het vuur van de jeugd, en trek het je niet aan wanneer iemand kwaad van mij spreekt; we moeten tevreden zijn zolang we kunnen voorkomen dat iemand ons kwaad doet.’12

Anderzijds is er genoeg bewijs dat de keizer het ook geen probleem vond om de vrijheden die er waren in te perken naar eigen believen. De privileges van de bovenste klasse waren dermate uitgehold dat niemand precies wist waar de grenzen lagen.13 Dit wordt door Otto Steen Due treffend samengevat:

‘[T]he strength of his power enabled him to permit a certain freedom of speech but he arbitrarily and unpredictably reserved for himself the right of determining the limits of it, and in his later years he was narrowing those limits.’14

Bekende voorbeelden van Augustus’ onvoorspelbaarheid op het gebied van ‘vrijheid van meningsuiting’ zijn, in zijn beginjaren, de gedwongen zelfmoord van Gallus, en, in zijn laatste jaren, de verbanning van Ovidius.

Naast schrijvers die duidelijk niet in goede aarde vielen bij de keizer, waren er dichters die aangespoord werden door Augustus om iets te schrijven. Uit de bronnen weten we zeker dat Augus- tus twee werken heeft aangevraagd: de Carmen Saeculare en de brief aan Au- gustus, beide geschreven door Horatius, waarin de keizer uitbundig wordt geprezen. Toch zijn dit maar twee werken, ook nog eens geschreven door dezelfde schrijver. Dat is geen overvloedig bewijs dat Augustus veel literaire lofwerken aanvroeg. Augustus had meer aandacht voor grootschalige bouwkundige veranderingen om zichzelf en zijn dynastie te promoten. Daarom is de kans dat Maecenas gedichten ter ere van de keizer op eigen initiatief heeft aangemoedigd zeker niet klein, zeker omdat het niet ongewoon was in de Romeinse cultuur om gunsten te vragen, literaire gunsten incluis, voor jezelf of voor een vriend.15 Deze gunsten konden voor beginnende dichters een fantastische opstap zijn voor het grotere werk. Een schrijver die zich in de rangen van de keizer bevond, was vrijwel zeker van publieke bekendheid en faam. Een voorbeeld hiervan is de, een paar decennia later levende, dichter Martialis, die erop stond dat keizer Domitianus hem faam en daarmee leven aan al zijn werk had gegeven.16

Invloed van bovenaf

Hoewel het lastig is om exact te reconstrueren op welke manier Maecenas dichters beïnvloedde, kan men aannemen dat hij op sommige momenten druk kon uitoefenen om delen van een gedicht aan te passen. Een van de vele voorbeelden hiervan kan worden ge- vonden in de Georgica van Vergilius: ‘het is geen makkelijke taak, Maecenas, waarmee je me hebt belast. Zonder jouw inspiratie kan mijn geest geen hemels onderwerp beschrijven.’ 17. Vergilius vertelt de lezer hier dat de inspiratie voor dit boek, en waarschijnlijk voor vele andere boeken, komt van Maecenas. Verderop in het gedicht belooft Vergilius ook een werk te schrijven over Augustus’ veldslagen.18 Deze opmerkin- gen suggereren een actieve participatie van Maecenas. Hij was niet alleen de patroon van de dichters, maar ook een initiator, inspiratiebron en gids die dichters toonde welke kant hun werk op kon of moest.

Met betrekking tot het veranderen van gedichten kan een goed voorbeeld gevonden worden in de tijd van Augustus’ adoptiefvader Julius Caesar. Cicero wilde een lofrede voor Caesar schrijven, en hoewel beide partijen graag wilden dat deze het levenslicht zag, vond Cicero het lastig om deze te schrijven. Uiteindelijk stuurde de wanhopige Cicero zijn eerste versie naar Caesar, welke meteen werd afgewezen. Het was niet naar de smaak van verschillende tussenpersonen en dus hoogstwaarschijnlijk ook niet naar de smaak van Caesar.19 Uiteindelijk gaf Cicero het op, zoals blijkt uit zijn reactie op het commentaar van de verschillende tussenpersonen: ‘ik zie geen reden het geheel opnieuw te schrijven.’20

Dit toont uitstekend de pressie die Augustus ook kon toepassen als gedichten niet naar zijn zin waren. De tussenpersonen van Caesar namen waarschijnlijk ongeveer dezelfde rol in als Maecenas.21 Maecenas kon er dus voor zorgen dat gedichten beter bruikbaar waren voor de promotie van het nieuwe keizerrijk. Hoewel een dichter de vrijheid had om zijn werk zo te scheppen als hij het wilde, moest hij constant in de gaten houden of hij binnen de perken van de keizerlijke tolerantie bleef. Schreef hij onder patronage van Maecenas, dan had de schrijver waarschijnlijk ook nog eens te werken met een patroon die een vinger in de pap hield met betrekking tot de onderwerpkeuze ende richting van het gedicht.

Conclusie

Hoewel we Maecenas absoluut niet mogen zien als een minister van propaganda in de moderne zin, kan men concluderen dat er sprake was van ‘rekrutering’ van dichters voor de ondersteuning van de grote veranderingen in het nieuwe keizerrijk onder zijn leiding. Augustus veranderde Rome in een stad van marmer en was daar trots op. Zijn keizerrijk werd uitgedragen door de grandioze architectuur, maar ook in de literatuur. Literaire bronnen ondersteunen de suggestie dat Maecenas actief participeerde als een initiator en een inspiratie voor lofdichten. Hij was dus duidelijk meer dan ‘alleen’ een patroon van de kunsten.

De rol van Maecenas is misschien wel het duidelijkst wanneer je kijkt naar het verschil met een andere grote patroon van de kunsten in die tijd: Messala. Van de dichters die onder de hoede van deze patroon kwamen, zijn geen lofdichten teruggevonden. Alle lofdichten voor de keizer en alle gedichten die Augusteïsche waarden en veranderingen goedkeurden kwamen uit de stal van Maecenas. Er was dus zeker sprake van een inspanning van bovenaf om de nieuwe waarden en normen van het keizerrijk uit te dragen.

 

Robbin Doppenberg (1993) volgt de track Oudheid in de researchmaster Ancient, Medieval and Renaissance Studies aan de UU. Op dit moment loopt hij stage bij KIK-IRPA in Brussel, waar hij zich voornamelijk bezighoudt met dieetreconstructie door middel van koolstofdatering.

 

 

Voetnoten

1  Zie: A. Eich, Politische Literatur in der römischen Gesellschaft: Studien zum Verhältnis von politischer und literarischer Öffentlichkeit in der späten Republik und frühen Kaiserzeit (Keulen 2000); P. White, Promised Verse: Poets in the Society of Augustan Rome (Cambridge 1993); K. Galinksy, Augustan Culture: An Interpretive Introduction (Princeton 1996); K. Galinksy e.a., The Cambridge Companion to the Age of Augustus (Cambridge 2005)
2  George Orwell, ‘Diaries’: <https://orwelldiaries.wordpress. com/2012/03/14/14-3-42> (geraadpleegd 18-06-2016)
3 J. DeRose Evans, The Art of Persuasion: Political Propaganda from Aeneas to Brutus (Michigan 1992)
4  D.F. Kennedy, ‘Augustan and Anti-Augustan: Reflections on Terms of Reference’ in: A. Powell ed., Roman Poetry and Propaganda in the Age of Augustus (Londen 1992) 26-59, 41.
5  K. Galinksy, Augustan Culture: An Interpretive Introduction (Princeton 1996) 244.
6  Ibid; P. White, Promised Verse: Poets in the Society of Augustan Rome (Cambridge 1993), 118.
7  Voor een volledige samenvatting zie: P. White, ‘Poets in the New Milieu: Realigning’, in: K. Galinksy ed., the Cambridge Companion to the Age of Augustus (Cambridge 2005) 321- 329, 329f.
8  Ibid.
9  P. White, Promised Verse: Poets in the Society of Augustan Rome (Cambridge 1993) 14.
10  J. Griffin, ‘Augustan Poetry and Augustanism’, in: K. Galinksy ed., the Cambridge Companion to the Age of Augustus (Cambridge 2005) 306-320, 314
11  Ibid., 314f.
12 Suet. Aug. 51.3, vertaling van mijn hand.
13  D.C. Feeney, ‘Si licet et fas est: Ovid’s Fasti and the Problem of Free Speech under the Principate’, in: A. Powell ed., Roman Poetry and Propaganda in the Age of Augustus (Londen 1992) 1-25, 7.
14  O.S. Due, Changing Forms: Studies in the metamorphoses of Ovid (Kopenhagen 1974) 174.
15 P. White, ‘Poets in the New Milieu: Realigning’, in: K. Galinksy ed., the Cambridge Companion to the Age of Augustus (Cambridge 2005) 321-329, 331.
16 Mart. 8.pr.
17 Verg. G. 3.40-42, vertaling van mijn hand.
18 Verg. G. 3.46.
19 Voor een uitgebreidere beschouwing van dit verhaal: P. White, Promised Verse: Poets in the Society of Augustan Rome (Cambridge 1993)
20 Cic. Att. 13.27.1, vertaling van mijn hand.
21 P. White, Promised Verse: Poets in the Society of Augustan Rome (Cambridge 1993) 121ff.
Advertisements