Historische blik op moderniteit


Wouter van Leeuwen toont in dit artikel aan dat debatten over het begrip ‘moderniteit’ vertroebeld worden door aannames gebaseerd op eurocentrisme, determinisme en een te simplistische scheidslijn tussen de premoderne en moderne wereld. Hij stelt dat door haar aandacht voor de rommeligheid van de historische context juist geschiedenis een belangrijke rol heeft in het moderniteitsdebat.

Het concept moderniteit is voor postkoloniale denkers de ideale kop van jut. De definitie is gebaseerd op het Europese moderniseringsproces waardoor zij inherent eurocentrisch is. Bovendien gaan moderniseringstheorieën vaak uit van een logisch eindpunt in de geschiedenis. Daarnaast liggen impliciete aannames over de wijze waarop een samenleving zou moeten worden ingericht aan de basis van het moderniteitsbegrip. Het combineren van de normatieve aspecten van moderniteit met het teleologische ontwikkelingsperspectief van moderniseringstheorieën heeft tot gevolg dat er een tegenstelling ontstaat tussen moderne maatschappijen en traditionele maatschappijen die achterlopen in hun ontwikkeling.[1] Het begrip moderniteit is kortom ideologisch geladen.

Het gebruik van moderniteit in de geschiedschrijving is extra problematisch omdat er sprake is van een verwarring van definities. Instituties, een tijdvak, waarden, moderne ervaring en ontwikkelingsprocessen worden onder één noemer geschaard en gezien als onderling van elkaar afhankelijk. Het impliciete denken in de sterke tegenstelling tussen traditioneel en modern maakt dat veel subtiliteiten van overgangsperiodes verloren gaan, maakt ons blind voor bepaalde traditionele aspecten in onze hedendaagse maatschappij en houdt weinig rekening met verschillende culturele omstandigheden. Een complicerende factor is dat de meeste denkers het heden als onderdeel van de moderniteit zien. Het gevolg van deze gelijkstelling tussen moderniteit en de hedendaagse wereld is dat onderzoek naar moderniteit beïnvloed wordt door politieke, culturele en economische ontwikkelingen in het heden. Beter inzicht in impliciete aannames met betrekking tot moderniteit zijn een voorwaarde om het gevaar van presentistische, teleologische en eurocentrische tunnelvisie voorkomen.

“Het gebruik van moderniteit in de geschiedschrijving is extra problematisch omdat er sprake is van een verwarring van definities”

Gurminder Bahmbra onderscheidt twee pogingen om aan het normatieve en eurocentrische karakter van het traditionele moderniseringsparadigma te ontsnappen. Als eerste noemt ze de third wave cultural historical sociology. Deze aanpak probeert het moderniteitsbegrip te historiseren. De focus verschuift van de eerder dominante causale verklaringen van het ontstaan van de moderne samenleving naar wat zij omschrijft als: ‘a more “genealogical” project “associated with the formation of historically evolving cultural categories and practises”’.[2] Een van de bekendste voorbeelden hiervan is Foucault die in les mots et les choses (1966) een poging deed om aan te tonen dat de categorieën waarin we denken historisch veranderlijk zijn. Postkoloniale denkers maken bij deze aanpak dankbaar gebruik van de poststructuralistische methode waarin de machtseffecten van westerse moderne categorisering wordt aangetoond. Het grote narratief van (eurocentrische) moderniteit wordt echter niet ondergraven. Integendeel, de macht en invloed die wordt toegekend aan westerse moderne categorieën lijkt volgens Bhambra juist de westerse notie van moderniteit als het belangrijkste normatieve historische proces te bevestigen. De focus ligt niet op hoe moderniteit tot stand komt maar op de machtseffecten van moderne categorieën van denken.

Een tweede poging om een alternatief te vinden voor de dominantie van de westerse notie van moderniteit is het multiple modernities paradigm. Denkers in dit paradigma ondergraven de notie dat er slechts één moderniteit bestaat. Moderniteiten ontstaan volgens deze denkers uit de interactie tussen institutionele kaders zoals staatsvorm, economie, industrialisering en culturele codes. Lokale verschillen zorgen dus voor verschillende vormen van moderniteit terwijl de instituties een overkoepelend raamwerk bieden.[3] Het voordeel van dit paradigma is dat het de mogelijkheid geeft om rekening te houden met verschillende historische omstandigheden. Maar hoe formuleer je de kenmerken die van een ontwikkeling of set condities een modernisering of moderniteit maken. Het gevaar bestaat dat hierdoor het begrip zo allesomvattend wordt dat het zijn betekenis verliest.[4] Bovendien blijken de institutionele kenmerken die van een conditie een moderniteit maken gebaseerd op het westerse voorbeeld.

Het multiple modernities paradigma heeft als een stimulans gefunctioneerd voor het onderzoeken van de interactie tussen westerse noties van moderniteit en lokale culturele verschillen en tradities. Chinese historici hebben bijvoorbeeld opnieuw aandacht geschonken aan de wijze waarop het confucianisme nog steeds invloed heeft op de huidige Chinese moderniteit. Deze nieuwe aandacht voor ‘vergeten moderniteiten’ heeft een aantal zeer interessante theorieën opgeleverd en is een zeer welkome aanmoediging voor niet-Westerse geschiedschrijving. Het gevaar is echter dat het zoeken naar een typisch Chinese moderniteit resulteert in een normatief, essentialistisch en nationalistisch narratief dat het verleden netjes aanharkt zodat ze beter aansluit op hedendaagse eisen en omstandigheden. Benjamin Elman beschrijft de invloed van het heden op de Chinese geschiedschrijving als volgt:

Historians measure the past according to the yardstick of the present. As the present changes that yardstick also changes. In an earlier era, when China was visibly economically backward and militarily weak when compared to the Western European nation-states, Confucianism was singled out and blamed for that backwardness. Now that China’s present is far different from its past, so also the perception of Confucianism has changed; it is now viewed as the facilitator of modernity.[5]

Het theoretiseren van moderniteiten binnen het multiple modernities paradigma is kortom altijd balanceren tussen rekening houden met lokale verschillen, zonder terug te vallen in een essentialistische nationalistische theorie die wordt gedicteerd door belangen in het heden, en het geven van een breder analytisch kader, zonder dat dit een normatieve en hegemoniale notie wordt.

Moderniseringstheorieën hebben niet alleen gevolgen voor de geschiedschrijving van regio’s buiten het Westen. Carol Symes omschrijft de invloed van moderniseringstheorieën op de wijze waarop de middeleeuwen worden omschreven als volgt:

Just as the British conquered and represented the diversity of “Indian” pasts through a homogenizing narrative of transition from a “medieval” period to “modernity”, so Modern Europeans and their imitators squeezed the diversity of the medieval pasts into a homogenizing narrative of barbarity from which they, qua modern people, had liberated themselves. To take the role of medievalist is consequently – and all unwillingly – to become a minor colonial official whose job depends on maintaining the subaltern status of the population under scrutiny.[6]

De wijze waarop het verleden in periodes wordt ingedeeld draagt volgens Symes bij aan beeldvorming waarin de middeleeuwen worden voorgesteld als ‘the great before’ waartegen het heden wordt afgezet. Het ontbreken van een duidelijke grens tussen middeleeuwen en renaissance maakt dat de conceptuele ruimte van de middeleeuwen kan worden gebruikt als ‘een strafkamp’ waarin onwenselijke elementen van de moderniteit zoals systematische vervolging, heksenjachten, irrationaliteit, marteling, en radicale islam als middeleeuws worden gedefinieerd.[7] Het gevolg van deze conceptuele ruimte is dat de kersen van de taart, zoals de herontdekking van de klassieke literatuur in het begin van de veertiende eeuw door Petrarch, aan de moderniteit worden toegeschreven terwijl de zwarte dood van midden veertiende eeuw wordt gezien als onderdeel van de  middeleeuwen. Symes acht het daarom noodzakelijk om afstand te doen van periodisering omdat dit altijd normatieve noties met zich meebrengt.

“Moderniteit vervormt de werkelijkheid en de dominantie van eurocentrisme of tijdsgebonden chauvinistisme ontzegt grote groepen in het verleden een stem”

Het gevaar van complete relativering is altijd aanwezig in het bespreken van theorieën over moderniteit. Moderniteit vervormt de werkelijkheid en de dominantie van eurocentrisme of tijdsgebonden chauvinistisme ontzegt grote groepen in het verleden een stem. Dit betekent echter niet dat de geschiedschrijving voortaan het moderniteitsdebat moet negeren. In plaats van af te zien van grotere ideeën lijkt juist meer theoretische betrokkenheid een mooie uitweg uit de moderniteitsimpasse te bieden. Een voorbeeld hiervan is de wijze waarop David Greaber aantoont dat de tegenstelling tussen moderne en traditionele consumptie niet zo scherp te trekken is als vaak wordt aangenomen.

Greaber gaat in tegen de scherpe tegenstelling tussen traditionele en moderne consumptie zoals die door Collin Campbell in Romantic Ethic and the Spirit of Modern Consumerism (1987) wordt beschreven. Volgens Campbell wordt traditionele consumptie gekenmerkt door de directe bevrediging van behoeftes zoals eten, drinken en seks. Bij moderne consumptie daarentegen handelen mensen niet direct om hun behoeftes te bevredigen. Voor hun handelen zijn fantasieën, dagdromen en constructen van identiteit belangrijker.

Het grootste probleem dat Greaber heeft met deze theorie is dat Colin Campbell ervan uitgaat dat dit in de zeventiende eeuw een nieuw fenomeen was. Greaber ontkent niet dat er een verschil is tussen traditionele en moderne vormen van verlangen, maar hij stelt dat er in de verschillende middeleeuwse vormen van verlangen al kenmerken van de moderne notie zijn te ontdekken. De moderne vorm van verlangen ontstond volgens Greaber uit een versmelting van een vorm die kenmerkend was voor de middeleeuwse elite en een vorm die vaker voorkwam bij de armere bevolking uit die tijd. Een scherpe scheiding tussen de middeleeuwen en vroegmoderne tijd is volgens Greaber op dit punt niet te maken.[8]

Ook Thoralf Klein is van mening dat historici niet moeten afzien van het gebruik van grotere verhalen. Modernisering is volgens Klein zowel rommeliger als minder compleet als vaak wordt aangenomen. Hij toont dit onder andere aan door de aanname dat de moderniteit een stedelijke ervaring is te problematiseren. Hiervoor gebruikt hij het voorbeeld van de Chinese landbouwcollectivisaties onder Mao. Deze vond plaats op het traditionele platteland maar was ontegenzeggelijk modern. Door aandacht te besteden aan de spanningen in het begrip moderniteit kan een historicus volgens Klein voorbijgaan aan de vertroebelende werking van impliciete aannames met betrekking tot moderniteit.[9]

Het moderniteitsdebat is waarschijnlijk het grootste interculturele- en wereldwijde wetenschappelijke debat dat op dit moment wordt gevoerd en de problemen van moderniseringstheorieën raken aan de wortels van geschiedenis als discipline. Het stelt vragen over de functie van geschiedwetenschap in identiteitsvorming en het ontkrachten van mythes. Bovenstaande voorbeelden tonen aan hoe historisch onderzoek een uitweg kan bieden uit de dominantie van aannames die onderdeel zijn van een normatief eurocentrisch moderniteitsbesef. Door aan te tonen hoe het impliciete denken in de sterke tegenstelling tussen traditioneel en modern maakt dat veel subtiliteiten van overgangsperiodes verloren gaan en aandacht te besteden aan de rommeligheid en onvolledigheid van de overgang van traditioneel naar modern worden foutieve aannames ontmaskerd. Er is daarom voor historici een belangrijke en noodzakelijke rol weggelegd in dit debat.

Wouter Johan van Leeuwen (1986) is een researchmasterstudent geschiedenis. Hij houdt zich vooral bezig met de invloed van intellectuele veranderingen in de achttiende en negentiende eeuw op culturele en politieke tegenstellingen in Europa. 

[1] Zvi Ben-Dor Benite, ‘Modernity: The sphinx and the Historian’, in: American Historical Review 116 (2011), Issue 3, 638-652.

[2] Gurminder K. Bahmbra, ‘Historic Sociology, Modernity, and Postcolonial Critique, American Historical Review 116-3 (2011), 654.

[3] Bahmbra, ‘Historic Sociology, Modernity, and Postcolonial Critique’, 653-662.

[4] ‘Historians and the Question of “Modernity”, Introduction to AHR Roundtable’, American Historical Review 116-3 (2011), 631-637.

[5] Benjamin A. Elman, ‘The Failures of Contemporary  Chinese Intellectual History’, Eighteenth-Century Studies 43-3 (2010), 373.

[6] Carol Symes, ‘When We Talk About Modernity’, American Historical Review 116-3 (2011), 717.

[7] Symes, ‘When We Talk About Modernity’, 721.

[8] David Graeber, ‘Special Section: Keywords “Consumption”, Current Anthropology 52-4 (Augustus 2011) 489-511.

[9] Thoralf Klein, ‘How Modern was Chinese Modernity? Exploring Tensions of a Contested Master Narrative’, International Journal History, Culture and Modernity 2-3 (2014) 275-301.

Advertisements