De passie van… Guido de Bruin

Ik wandel, ik studeer, ik mijmer

In juni gaat universitair docent Guido de Bruin na 41 jaar trouwe dienst met pensioen. Een afscheidsborrel zit er niet in, maar voor een interview was hij wel te porren. Onze redacteuren Joram Schollaardt en Lauren Antonides spraken met hem over zijn academische carrière, zijn passie voor boeken, zijn levensfilosofie en zijn kijk op de toekomst.

Boeken

Tienduizend boeken, verdeeld over twee huizen. Guido de Bruin houdt van lezen. Al sinds zijn jonge jaren verzamelt hij boeken. ‘Ik kan er niet om heen, het is een verslaving. Een wat onschuldigere verslaving dan drugs, dat wel.’ De Bruin typeert zijn verzameling als een brede collectie van ‘de belangrijkste handboeken en monografieën’ die over uiteenlopende historische onderwerpen zijn geschreven. Zijn absolute favoriet is 1812 van Adam Zamoyski. ‘In het begin vond ik het maar een matte vertoning, maar toen echt die veldtocht op gang kwam, viel ik van de ene verbijstering in de andere. Ongelofelijk.’ Ook blijkt hij een groot fan te zijn van romantische boeken. ‘Zolang het bij boeken blijft, vind ik het allemaal heel erg leuk.’

Het mooie van boeken is dat ze een historische sensatie teweegbrengen, vindt De Bruin. Hij ziet boeken als een mogelijkheid om te ontsnappen naar een wereld die voorbij is.  ‘Het is wel een beetje een vlucht uit de werkelijkheid’, geeft hij schuchter toe. Deze historische sensatie blijft wat hem betreft beperkt tot boeken; van tentoonstellingen of films moet hij niets hebben. Voor het vak Vroegmoderne Geschiedenis moest hij bijvoorbeeld ooit een college wijden aan de historische film Het meisje met de parel. ‘Wat kostte mij het moeite om die film anderhalf uur uit te zitten. Er gebeurde namelijk helemaal niets, het was gewoon een stilleven.’ Ook de verfilming van Doctor Zhivago, een van De Bruins favoriete boeken, kon niet op zijn goedkeuring rekenen. Zijn typering ‘Hollywood in de sneeuw’ spreekt boekdelen.

De Bruins  boekentips

  • Lev Tolstoj, Oorlog en Vrede (1869). ‘Dit is de mooiste roman die ooit is geschreven. Tegen de achtergrond van de Napoleontische oorlogvoering schildert Tolstoj de lotgevallen van twee aristocratische Russische families. De tragische liefde van Andrej Bolkonski voor Natasja Rostova heeft een onuitwisbare indruk van zelfherkenning op mij gemaakt.’
  • Adam Zamoyski, 1812 (2004). ‘Meeslependste historische studie die ik ooit heb gelezen. Boek komt moeizaam op gang, maar schildert daarna een adembenemend panorama van de grootste militaire tragedie uit de wereldgeschiedenis op basis van vooral onbekend Russisch en Pools bronnenmateriaal.’
  • Fernando Pessoa, Boek der rusteloosheid (1984). ‘Mooiste en diepzinnigste beschouwingen over de absurditeit van het menselijk bestaan die ik ooit heb gelezen. Bestaat uit zeshonderd bladzijden messcherp geformuleerde aforismen die men keer op keer kan lezen en die men nooit volledig zal doorschouwen.’

Geschiedenis

Met zijn pensioen in het vooruitzicht ziet De Bruin er zichtbaar naar uit om al zijn boeken te lezen. De wens om er ooit nog een te schrijven heeft hij daarentegen zeker niet. Hoewel hij met plezier vertelt over zijn belangrijkste werk, zijn proefschrift over de geheimhouding van staatszaken in de Republiek, noemt hij schrijven vooral ‘zonde van zijn tijd.’ Bovendien lijkt hij sceptisch te staan tegenover de wetenschappelijke relevantie van historisch onderzoek. Op de vraag, of geschiedenis kan helpen om het heden te begrijpen, antwoordt hij stellig: ‘Absoluut niet.’ De discussie over het nut van geschiedenis vindt De Bruin eigenlijk ook helemaal niet interessant. ‘Ik vind het gewoon een fascinerende hobby. Ik zie überhaupt niet in waarom het zin zou moeten hebben. Klassieke muziek heeft toch ook geen zin? Het is gewoon prachtig.’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat De Bruin onderwijs verkiest boven onderzoek. Hij zegt er veel van geleerd te hebben: ‘Studenten denken vaak dat zij degenen zijn die leren, maar in feite leert de docent tien keer zoveel als de studenten.’ Bovendien is De Bruin erg te spreken over het contact met zijn studenten: ‘Ze zijn aan de ene kant niet zo jong dat ze het bloed onder je nagels vandaan halen en aan de andere kant niet zo oud dat ze vastgeroest zijn en allemaal nare trekken krijgen.’ Andersom heeft hij geen idee welk beeld van hem leeft onder zijn studenten. ‘Ik ben gewoon mezelf’, zegt hij schouderophalend.

De krenten zijn bewaard, maar de pap is er niet meer.

Met gemengde gevoelens kijkt De Bruin terug op de ruim veertig jaar onderwijs aan de Universiteit Utrecht. Van de ‘paradijselijke toestand’ waarin het universitaire onderwijs zeker tot aan de eeuwwisseling verkeerde is niet veel meer over. ‘Langzamerhand zijn we uit het paradijs verdreven. Er is in de afgelopen vijf jaar meer veranderd dan in de veertig jaar daarvoor’. Toch benadrukt De Bruin dat hij het verleden niet wil idealiseren. ‘Dat er meer controle is, is volkomen terecht,’ zegt hij. Veel mensen konden namelijk de grote mate van vrijheid in het onderwijs niet aan.

Over de ontwikkelingen binnen zijn eigen discipline is hij pessimistisch gestemd. Lichtelijk geïrriteerd vertelt De Bruin over de voorkeur die aan ‘leuke onderwerpen’ wordt gegeven, waardoor vooraanstaande literatuur uit de jaren zeventig en tachtig het onderspit moet delven. Hij noemt de nieuwe invulling ‘wel aardig’, maar is bang dat de essentie van het vak Vroegmoderne Geschiedenis verloren is gegaan. ‘De krenten zijn bewaard, maar de pap is er niet meer.’

De Bruin spreekt ook zijn ongenoegen uit over de nadruk die in het huidige onderwijs ligt op artikelen in plaats van boeken. Artikelen beperken zich vaak tot abstracte modellen. ‘Boeken zijn veel zinvoller dan artikelen. Bij boeken wordt het gewoon aangekleed, daardoor gaat de geschiedenis veel meer leven. Dat is voor mij juist de aantrekkelijkheid ervan.’ Het belang zit volgens hem in de kracht van het concrete, waarin geschiedenis zich als discipline onderscheidt.

Toekomst

Over de huidige staat van het onderwijs, maakt De Bruin zich zichtbaar grote zorgen. Zijn grootste bezwaar ligt bij de huidige tijdsdruk, die gevolgen heeft voor de kwaliteit van het onderwijs. Dit is volgens hem af te zien aan de werkstukken: de snelheid van het huidige systeem zou erin resulteren dat het theoretische en methodologische aspect onevenredig veel aandacht krijgt. Naast de vorm zou er meer aandacht moeten zijn voor de daadwerkelijke inhoud van het werkstuk: heeft de student eigenlijk wel iets nieuws te melden? Wat betreft de masterscriptie betwijfelt De Bruin dit. ‘Het zijn allemaal brave, degelijke werkstukken, zijn inhoudelijk nauwelijks een echte bijdrage aan de wetenschap.’ Het gebrek aan originaliteit ziet hij als een groot probleem, waaraan de beperkte tijdspanne ten grondslag ligt.

Alles is de schuld van de mensheid…

Niet alleen voor studenten, maar ook voor docenten ziet De Bruin de steeds toenemende tijdsdruk somber in. Hij omschrijft dit als zijn grootste zorg; het is een gevaar waarvan de leidinggevenden zich volgens hem namelijk volstrekt niet bewust zijn. Een DCU-model (Docent-Contact-Uren-model, red.) met ‘enige relatie tot de realiteit’ zou een oplossing bieden. Hij vindt dat docenten namelijk veel te weinig tijd krijgen voor de taken die ze moeten uitvoeren.

De toekomst van het universitaire bedrijf is niet het enige waar De Bruin zich zorgen om maakt. Ook buiten de universiteit ziet hij problemen. Hoewel hij zich weinig met de actualiteit bemoeit, maakt hij zich grote zorgen over de klimaatproblematiek. ‘Ik ben helemaal niet groen, maar ik zie dat we met blinde vaart op een muur af denderen en ondanks al dat geleuter gebeurt er helemaal niks. Ik ben bang dat er pas wat gebeurt als het te laat is.’ Volgens De Bruin is alles de schuld van de mensheid. ‘De wereld was nooit mooier dan voordat de mensen ten tonele verschenen. De wereld moet fascinerend geweest zijn toen er alleen nog maar planten waren.’

Herinneringen

De somberheid waar het gaat over het klimaat verdwijnt als sneeuw voor de zon, als we met hem praten over zijn collega’s. Op persoonlijk vlak bewaart hij namelijk goede herinneringen aan zijn tijd aan de Universiteit Utrecht. Enthousiast vertelt hij hoe hij voorafgaand aan het interview een lijstje heeft opgesteld van personen die tijdens zijn tijd als student en docent een onuitwisbare indruk op hem hebben achtergelaten, waarvan hij er graag drie uit wil lichten. Zijn vroegere mentor Hans Boogman prijkt bovenaan het lijstje. Hoewel De Bruin zelf duidelijk niet gecharmeerd is van pottenkijkers, denkt hij met plezier terug aan de huiselijke sessies bij deze hoogleraar tijdens zijn eigen studententijd. De Bruin vertelt over de talloze avonden die hij aan de Karel Doormanlaan heeft doorgebracht, waar hij naast onderwijs ook persoonlijke adviezen genoot. Zo adviseerde Boogman hem ooit ‘volstrekt ongevraagd’ om onder de mensen te komen, en zelfs een vrouw te zoeken. Hoewel hij nooit heeft overwogen er iets mee te doen, stelde De Bruin deze gemeende interesse erg op prijs.

Ik zie überhaupt niet in waarom geschiedenis zin zou moeten hebben.

Andere mooie herinneringen heeft De Bruin aan Hans Righart en hoogleraar Ido de Haan. ‘In nood leer je je vrienden kennen’, zegt De Bruin over de laatste. Ontroerd spreekt hij over de steun die hij van De Haan kreeg toen hij zijn moeder de laatste drie en een half jaar dag en nacht verpleegde.

De warme manier waarop De Bruin spreekt over deze personen, leert ons een andere kant van de soms wat cynische docent kennen. Met ontwapenende openheid vertelt hij over wat hem het meest na aan het hart gaat. De nuchterheid lijkt echter weer volledig teruggekeerd, als we hem vragen zichzelf in twee woorden te omschrijven: ‘a-sociaal en rebels.’  Student is hij naar eigen zeggen altijd gebleven, wat maakt dat het onderwijs hem erg goed ligt. ‘Ik zou ook uitstekend op mijn plaats zijn bij de Belastingdienst om aangiften te controleren, dat lijkt me heerlijk.’  Hij voegt hier haastig aan toe dat het onderwijs toch zijn voorkeur geniet, omdat het een grote mate van vrijheid met zich meebrengt.

Genieten

Die mate van vrijheid benut De Bruin het liefst in afwezigheid van anderen. ‘Ik ben altijd rustig thuis. Heerlijk.’ Met zijn pensioen in het vooruitzicht, schetst hij zijn ideale dag: ‘Laat opstaan, uitvoerig de krant lezen, studeren, wandelen, weer studeren, eten, het nieuws bekijken, en ’s avonds weer studeren.’ Grinnikend vergelijkt hij zichzelf met Immanuël Kant. ‘Die kwam ook zijn stad niet uit. Ik ben Nederland niet eens uit geweest, het kan me ook allemaal weinig schelen. Ik haal de wereld thuis, ik kom er niet voor naar buiten.’

Ik voel me volmaakt gelukkig in het zonnetje met mijn ogen dicht.

De Bruin houdt er een bijzondere levensvisie op na. ‘Het leven heeft geen enkele zin. Het maakt niet uit of je ervan geniet of niet van geniet, want een uur in de ergste depressiviteit doorgebracht duurt net zo lang als een uur in volstrekte extase.’ Toch meent De Bruin een voorstander te zijn van zoveel mogelijk genieten, maar wel in epicurische zin: zo rustig mogelijk, zonder zich aan genot en extase over te geven. En genieten doet hij. ‘Ik voel me het beste thuis als ik langs het Naardermeer loop, in het zonnetje, met mijn ogen dicht. Dan voel ik me volmaakt gelukkig.’

Binnenkort kan hij volop van zijn vrijheid genieten. Met De Bruin vertrekt een bijzondere docent die veel geschiedenisstudenten niet snel zullen vergeten. Wij in ieder geval niet, we hebben een interessant gesprek gehad, waarin we veel hebben gelachen. Wie nog een glimp van deze levende legende op wil vangen moet er snel bij zijn. ‘Ik kom nooit meer op de universiteit en ik denk dat ik zelfs nooit meer in Utrecht kom.’ De Bruin heeft betere dingen te doen: ‘ik wandel, ik studeer, ik mijmer.’

——

Guido de Bruin werd geboren op 8 december 1950. Na het gymnasium B studeerde hij geschiedenis in Utrecht, met als hoofdvak Nieuwere Geschiedenis (1400-1870). Sindsdien is hij in Utrecht werkzaam geweest, eerst als promotie-assistent (1975-1978) en daarna als universitair docent vroegmoderne tijd (1979-2016). In 1991 is hij cum laude gepromoveerd op Geheimhouding en Verraad. De geheimhouding van staatszaken ten tijde van de Republiek (1600-1750).

Advertenties