Trauma en hysterie in de Grote Oorlog

Auteur Arjen van Lil (21) is derdejaars bachelorstudent Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. In het kader van de cursus ‘Het Slagveld Europa 1900-1950’ deed hij onderzoek naar de opkomst van shellshock, waarop dit artikel is gebaseerd. Hoewel zijn interesse voornamelijk bij sociale geschiedenis in de oudheid ligt, interesseert hij zich voor sociaal-psychologische geschiedenis binnen een varia aan onderwerpen, waaronder shellshock.

Over de omgang en behandeling van ‘shellshock’ in de Eerste Wereldoorlog

Op 18 oktober 1918 werd een regimentskoerier van het Duitse leger verrast aan het front door een aanval met mosterdgas. Na zich achter de linies te hebben verscholen, begon hij steeds meer zijn zicht te verliezen en werd hij doorverwezen naar de oorlogshospitalen ver achter de linies. De artsen zagen geen directe oorzaak voor zijn blindheid, het zou om een aandoening gaan van hysterische aard. De patiënt werd behandeld en hoefde niet meer terug te keren naar de gruwelen van het front; zijn naam was Adolf Hitler.[1]

Shellshock, Kriegsneurose, choq du guerre, d’n Klop, war neurosis. Iedere taal kende shellshock op zijn eigen manier. Het was echter niet beperkt tot één natie of cultuur; het was een universeel fenomeen en overal even problematisch. De Frans-Pruisische oorlog (1870-1871) en de Russisch-Japanse oorlog (1904) hadden de oorlogsneurose al enigszins in de literatuur geïntroduceerd, al speelde het maar een kleine rol. Dat shellshock vormen van massahysterie zou aannemen in de Eerste Wereldoorlog, had niemand verwacht. De Eerste Wereldoorlog werd gekenmerkt door nieuwe wapens en tactieken, zoals het machinegeweer, artilleriebombardementen, loopgraven en gifgas, en was hierdoor van compleet andere aard dan de oorlogen daarvoor. Soldaten werden blootgesteld aan soms urenlange bombardementen, en opgesloten in hun loopgraaf was hier geen ontkomen meer aan. Men kon de dood en verderf niet onvluchten en leefde continu in angst.

I think what produces shell-shock much more than the sudden danger is prolonged danger in a static position, where the man cannot get away from it. – John Fuller (veteraan), tegenover het War Office Committee of Enquiry into Shell Shock (1922).[2]

Deze constante angst resulteerde in oorlogstrauma’s; hyperventilatie, nachtmerries, tremoren, depressies, angststoornissen, vergeetachtigheid, verlammingen, oncontroleerbare trillingen – dit zijn nog maar enkele symptomen. Het waren nieuwe problemen voor zowel artsen als officieren en generaals. Met name na grote slagen, denk aan de Somme of Passendale, meldden duizenden soldaten zich met dergelijke symptomen: zelfs soldaten die nog geen schot gehoord hadden of het front nog niet eens bereikt. De verhalen van teruggekomen gewonden waren blijkbaar al genoeg om een mens gek te maken. Zowel aan het Franse, Engelse en Duitse front zag de legerleiding het aantal soldaten slinken. Artsen stonden voor een raadsel; shellshock leek iedere soldaat te kunnen overkomen. Het was een probleem van grote proporties. De reacties op shellshock waren uiteenlopend, met name tussen Frankrijk en Engeland bestonden grote verschillen. De verschillende psychiatrische tradities van beide landen liggen hieraan ten grondslag.

Het theater van Charcot: was Frankrijk voorbereid?
Frankrijk kent een rijke geschiedenis aan psychologisch en neurologisch onderzoek. De Parijse neuroloog Jean-Martin Charcot (1825-1893) wordt gezien als de grondlegger van de neurologie. Als arts en hoogleraar zag hij in het Parijse ziekenhuis La Salpêtrière steeds meer vrouwen binnenkomen met dramatische verschijnselen als flauwvallen, verlammingen en epileptische aanvallen. Ook veel fabrieksmedewerkers klopten aan met post-traumatische verschijnselen. Charcot ontdekte naast fysieke ook geestelijke afwijkingen, waar hij emotionele oorzaken aan koppelde.[3]

Charcot richtte speciale afdelingen op waarin de fabriekswerkers en hysterische vrouwen geobserveerd en behandeld konden worden, vaak door middel van hypnose. Gefascineerd door deze nog onverklaarbare verschijnselen bracht hij een onderzoek op gang; hij gaf lezingen en hield theatrale tentoonstellingen waarin la grande hystérie aan het publiek en zijn leerlingen werd gedemonstreerd door enkele vrouwen tot hysterie over te laten gaan. Het werd een ware modeziekte, die gepaard ging met showvertoon en een dramatisch karakter. Steeds meer vrouwen klopten bij Charcot aan, waardoor hij uitgroeide tot een nationale bekendheid.[4] Bij zijn dood in 1893 verdween deze massahysterie echter net zo eenvoudig en onverklaarbaar als dat het was ontstaan; Charcots erfenis was door zijn leerlingen, waaronder Sigmund Freud, Georges Gilles de la Tourette en Pierre Janet, desondanks wijdverspreid en diepgeworteld in de psychiatrie.

La théorie, c’est bon, mais ça n’empêche pas d’exister. – Jean-Martin Charcot (1893).[5]

Charcots hysterica’s en dubieuze hypnotische methoden werden door veel wetenschappers echter bekritiseerd; er zou sprake zijn van suggestie. De hysterische verschijnselen zouden enkel worden vertoond ten behoeve van aandacht of wanneer dit van hen verwacht werd. Hierdoor was de ‘echte’ hysterie niet te onderscheiden van simulatie; waardoor een sterke theoretische onderbouwing ontbrak voor la grande hystérie.

 Une_leçon_clinique_à_la_Salpêtrière

Pierre Brouillet schilderde 1887 zijn befaamde schilderij ‘A Clinical Lesson at the Salpêtrière’. In het midden van het schilderij is Charcot te zien, die een demonstratie van een van zijn hysterica’s laat zien. De persoon die de vrouw vasthoudt is overigens Babinski (het publiek bestaat uit veel van zijn opvolgers en leerlingen).

 

Deze suggestieve hysterie vereiste volgens Joseph Babinski (1857 – 1932), Charcots favoriete leerling, een  harde aanpak. De behandeling moest gebaseerd op een combinatie van elektro- en gesprekstherapie, om de simulant dergelijk gedrag als voor eens en altijd ‘af te leren’.[6] Deze no-nonsense aanpak vond aanvankelijk veel aanhang binnen de neurologie en psychologie. Clovis Vincent (1879-1947), een student van Charcots opvolger en groot bewonderaar van Babinski, ontwikkelde een nieuwe behandelmethode, beter bekend als torpillage (letterlijk: torpederen).[7] De arts kon met elektrotherapie het gewenste gedrag afdwingen; het stadium van weigering en opstand zou volgens Vincent logischerwijs volgen, maar dit zou vanzelf overgaan wanneer de arts vastberaden genoeg was.[8] De wrede aard van de methode creeërde onder patiënten veel weerstand en veel soldaten weigerden de behandeling aanvankelijk. Vincent, even vastberaden als zijn methode, tolereerde dit niet en klaagde in 1914 een Franse soldaat aan die zijn behandeling weigerde. Hoewel deze zaak in Vincents voordeel uitliep, leidde de commotie rondom zijn behandelmethodes wel tot het sluiten van zijn kliniek, waarop hij besloot weer naar het front terug te keren.[9]

Uiteraard werd de Franse traditie niet enkel gekarakteriseerd door agressieve methoden; Pierre Janet (1859-1947) legde de basis voor mildere behandelingen. Zijn studie naar trauma’s en post-traumatische stoornissen legde een verband tussen emotionele betrokkenheid van gebeurtenissen in het verleden, en post-traumatische reacties in het heden. Hij was Babinski en Vincent al een stap voor, door het concept van simulatie te verwerpen en een duidelijk verband tussen het verleden en heden te leggen. Joseph Jules Dejerine (1849-1917), ook een leerling van Charcot, was net als Janet niet gecharmeerd van elektrische schokken en was er van overtuigd dat het praten over de traumatische gebeurtenis tot begrip kon leiden. De patiënt kon de traumatische gebeurtenis herleven en zou hierdoor genezen.[10]

De Duitse expressionistische film Das Cabinet des Dr. Caligari van Robert Wiene is een erg interessant voorbeeld van de visualisatie van shellshock – de film zijnde een product van zijn eigen tijd (1920), evenals het indirect afbeelden van de moeizame relatie tussen shellshock patiënt en dokter.[11] De film is volledig te bekijken op Youtube via de volgende link: https://www.youtube.com/watch?v=6nzKl9TIQOg

Met de theorieën van Charcot, Janet, Babinski, Vincent en Dejerine waren de grondslagen voor de neurologie en psychiatrie gelegd. De beginselen van de oorlogspsychiatrie komen dan ook van Franse bodem. Vanaf 1915 werd shellshock, of beter gezegd choq du guerre, vanuit drie basisprincipes behandeld: onmiddelijkheid, nabijheid en een positieve verwachting. De behandeling moest zo snel mogelijk beginnen, het liefst nog aan het front, zonder dat de soldaat naar verre hospitalen in het achterland vervoerd moest worden. De positieve verwachting gold ongetwijfeld als het belangrijkste principe; er mocht geen twijfel bestaan over de behandeling.[12] De soldaat hield zelfs zijn uniform aan en werd simpelweg bevolen om te genezen; het concept van suggestie komt hier duidelijk in terug.

Frankrijk nam het voortouw in de behandeling van shellshock. Met de introductie van Charcot en zijn la grande hystérie en de uitwerking van zijn leerlingen raakte de Franse medische wereld bekend met de neurologie. De basiskennis was vergaard en werd in de Eerste Wereldoorlog toegepast en verbeterd. De Eerste Wereldoorlog was nieuw, maar de Fransen waren er enigszins op voorbereid. Engeland daarentegen, miste een psychiatrische basis en wist zich geen raad met de steeds groter wordende groep mentaal gewonden.

Shellshock en de Britse chaos
In de tweede helft van 1914 maakte het Britse leger de eerste gevallen van shellshock mee, met in december 1916 een hoogtepunt tijdens de Slag aan de Somme.[13] Artsen waren er volop, maar hielden enkel rekening met chirurgisch werk; La grande hystérie was een vrij onbekend fenomeen. Britse legerartsen deden dit aanvankelijk af als een vrouwenziekte; de moedige Britse soldaat zou dit niet kunnen overkomen.[14] De ideeën rondom mannelijkheid en vrouwelijkheid speelden onder de Britse legerleiding dan ook een grote rol. Het was een oorlog die de man in iedere soldaat naar boven moest brengen. Het diende als opvoeding en zou van jongens mannen maken. Want wat was er nou mannelijker dan vechten?

Echter, het unieke karakter van de Eerste Wereldoorlog, met zijn oorverdovende gedreun van granaatinslagen, constante blootstelling aan angst, dood en verderf en het gevoel van machteloosheid, maakte dat zelfs de stoerste soldaten braken. Toch werd het traumatische effect van de oorlog nauwelijks erkend. Soldaten die bezweken onder de gruwelen van de oorlog werden gecategoriseerd als lafaards en verraders en konden hoge straffen verwachten.

Waar in Frankrijk shellshock langzamerhand erkend werd en tot zekere mate bestreden, was dit in Engeland dus totaal niet het geval. In de Britse militaire wereld was geen plaats voor shellshock; het werd ontkend, vermeden en vooral ook bestraft. Psychische stoornissen van traumatische aard waren nog onvoldoende onderzocht, waardoor het Engeland simpelweg ontbrak aan een theoretische basis. Er was zelfs geen eenduidige wetenschappelijke term voor shellshock, wat het stellen van een diagnose gevolgd door een effectieve behandeling niet goed mogelijk maakte. Het was een taboe, en er werd zelfs beredeneerd dat erkenning ervan enkel zou resulteren in een toename aan oorlogsslachtoffers.

De Britten maakten een economische overweging: meer slachtoffers betekende namelijk meer oorlogspensioenen. Om het aantal pensioenen te beperken, werden shellshock patiënten daarom ingedeeld in twee categorieën: shellshock wounded en shellshock sick. Soldaten die onder de categorie wounded vielen, hadden recht op een oorlogspensioen; de verwonding moest hier een direct verband hebben met de oorlog. Was dit niet zo, dan vielen soldaten onder de categorie sick. Zij hadden geen recht op een oorlogspensioen.[15] Dit leidde tot een toename van shellshock sick en een afname van shellshock wounded.

De gevolgen van de diagnoses die de artsen stelden, gaf meer druk. Veel psychiaters en neurologen probeerden daarom oorlogsgerelateerde termen te vermijden en shellshock uit deze sfeer te verwijderen. Artsen gingen kijken naar de jeugd van de patiënt. Vertoonde de patiënt in zijn vroegere jaren al vreemde trekjes (hier werd met name gelet op typisch ‘vrouwelijke’ eigenschappen) of liep er in zijn familie al iemand rond met een psychische aandoening, dan was dat een verklaring voor het feit dat hij nu in de oorlog gek werd.[16] Het was vaak aan de patiënt zelf te wijten dat hij ziek werd; het ging hier om aanleg of eigen schuld. Als een patiënt zich niet goed verzorgde in de oorlog, was het immers logisch dat hij ziek werd. Voor artsen bood daarom het label Not Yet Diagnosed, Nervous de uitkomst. Vrij van alle relatie met de oorlog, gaf deze term Britse artsen de speling die zij nodig hadden rondom het thema van de oorlogspensioenen.[17]

Het Britse leger had veel moeite om met shellshock om te gaan. De makkelijkste oplossing, al bood dit zeker geen uitkomst, was simpelweg hard straffen, soms zelfs door middel van de doodstraf. Engeland kende veruit het grootste aantal terdoodveroordeelden vanwege lafheid of desertie, gevolgd door Frankrijk.[18] Dat dit vaak met shellshock te maken had, werd genegeerd. Medisch onderzoek naar deze deserteurs of lafaards werd niet uitgevoerd; de meeste veroordelingen duurden niet langer dan twintig minuten. De snelheid en onverschilligheid van deze processen geeft wederom de ontkennende houding van het Britse leger weer.[19]

De veroordeling van Harry Farr, een Britse reservist, was misschien wel de bekendste zaak. Tijdens de Slag aan de Somme in 1916 werd hij beschuldigd van lafheid. Meerdere getuigen hadden hem zien teruglopen van het front, waardoor hij bij gebrek aan geloofwaardigheid werd geëxecuteerd. Wat niet in acht werd genomen, was zijn ontslag uit een psychiatrisch ziekenhuis enkele weken eerder. Bij Farr werd namelijk in mei 1916 shellshock gediagnosticeerd.[20] De grens tussen shellshock en lafheid was een grijs gebied waar de Britse legerleiding het liefst zo min mogelijk aandacht aan besteedde. Deze onverschilligheid heeft veel soldaten het leven gekost. Zoals Leo van Bergen, medisch historicus en specialist op het gebied van shellshock, treffend schrijft: ‘Gekte was dan een synoniem voor lafheid en lafaards moesten niet worden geholpen, maar gestraft.’[21]

Het Britse leger wist zich geen raad met shellshock en er werd tegenstrijdig gereageerd; het werd ontkend, vermeden, bestraft, maar uiteraard ook behandeld. Psychiaters als William Rivers en Lewis Yealland lieten zien dat er ook begrip voor shellshock kon zijn en dat het in zekere mate te behandelen was. Door zowel ‘gebruikersvriendelijke’ methoden als behandelingen welke wat weg hadden van Vincent’s torpillage probeerden zij shellshock te behandelen; sommigen geliefd, anderen gehaat door de patiënt.

Charles S. Myers, een Engelse arts en psycholoog, schreef het eerste Engelse onderzoekspaper over shellshock in 1915. Als pionier bracht hij het fenomeen aan het licht en beschreef hij de symptomen van shellshock aan de hand van verschillende patiënten. Het artikel, gepubliceerd in het medisch tijdschrift The Lancet, geeft een gedetailleerde illustratie van de symptomen. Lees het artikel hier: http://jmvh.org/article/contribution-to-the-study-of-shell-shock/

Concluderend
Shellshock nam onverwachts vormen van massahysterie aan en vormde een serieuze bedreiging voor de grootmachten in de Eerste Wereldoorlog. Charcot legde de fundamenten voor de psychiatrie, neurologie en de ideeën rondom suggestie, en zijn leerlingen hadden een aanzienlijke voorsprong op Britse artsen bij de behandeling van shellshock. In Engeland bleef shellshock lang problematisch – een proces van ‘trial and error’ – en wilde men er aanvankelijk zo weinig mogelijk mee te maken hebben. De grens tussen lafheid en shellshock was een grijs gebied; lafheid moest bestraft worden, maar als een vorm van shellshock moest het juist behandeld worden. Desondanks zorgde de moeizame omgang en ontkenning ervoor dat shellshock patiënten een oorlog op meerdere fronten vochten. Naast de vijand en de eigen ziekte, maakte het onbegrip van de omgeving, artsen en de legerleiding shellshock tot een slopende ziekte.

Max Nonne, Duits psychiater en tevens een leerling van Charcot, presenteerde tijdens een conferentie van neurologen en artsen in München in 1916 een korte film waarin hij zijn behandeling en patiënten demonstreerde. Hoewel hij in zijn film de patiënten als oorlogsneurotici presenteert, is inmiddels bekend dat dit niet het geval was. Hij zou de gezonde soldaten in de film onder hypnose hun oude, originele shellshock symptomen laten demonstreren, om vervolgens, wanneer zij weer uit de hypnose waren gehaald, zichzelf als ‘genezen’ te presenteren. Bekijk de film hier:
https://www.youtube.com/watch?v=rmv1r6QMJ9U

 

~Arjen van Lil

 

[1] Harald Merckelbach, ‘Adolf Hitler als simulant. De hysterische blindheid van patiënt A.H.’, Academische Boekengids 94 (September 2012) 9-11.

[2] Report of the War Office Committee of Enquiry into “Shell-Shock”, Colonel J.F.C. Fuller (1922) 29.

[3] P. van Heeckeren, ‘Die vorstelling ist alles. Psychiatrische behandeling van Duitse soldaten met oorlogsneurose, 1914-1918’, in: J.H.J. Andriessen, M. Ros & P. Pierik (eds.), De Grote Oorlog – kroniek 1914-1918. Essays over de eerste Wereldoorlog, deel 6 (Soesterberg, 2003) 36-37.

[4] Ed van Lil, Van heksenwaan tot marspaniek. In de greep van massahysterie (Zoetermeer, 2013) 257-263.

[5] Jean-Martin Charcot, notities van Sigmund Freud (1893) d.13. Vrij vertaald: ‘Theory is good, but it doesn’t prevent things from existing.’

[6] H. Binneveld, ‘Shell shock versus trouble nerveux. De Britse en Franse militaire psychiatrie tijdens de Eerste Wereldoorlog’, in: J.H.J. Andriessen, M. Ros & P. Pierik (eds.), De Grote Oorlog – kroniek 1914-1918. Essays over de eerste Wereldoorlog, deel 3 (Soesterberg, 2003) 66.

[7] De benaming voor deze methode, torpillage, is door soldaten zelf gegeven. De grote schokken zouden volgens patiënten aanvoelen als een granaatinslag.

[8] L. Tatu, J. Bogousslavsky & J. Moulin, ‘The “torpillage” neurologists of World War I: electric therapy to send hysterics back to the front’, Neurology 75.3 (2010) 280.

[9] Tatu, Bogousslavsky & Moulin, ‘The “torpillage” neurologists of World War I’, 281.

[10] Binneveld, ‘Shell shock versus trouble nerveux’, 66-67.

[11] De film vertelt het verhaal van Francis (gespeeld door Friedrich Feher), een jonge man met een traumatisch verleden (hij vertoont symptomen van shellshock). Bij wijze van flashback – geheel in het thema van shellshock – vertelt hij hoe een mysterieuze Dr. Caligari (uitstekend gespeeld door Werner Krauss) met zijn slaapwandelaar Cesare zijn dorp binnenkwam. Dr. Caligari is een rechtstreekse verwijzing naar Charcot, zowel qua uiterlijk (m.n. de laatste scenes) als karakter. Voor meer informatie kan ik u verwijzen naar een ander paper van mij, over de relatie tussen de film en shellshock.

[12] Binneveld, ‘Shell shock versus trouble nerveux’, 62-63.

[13] Peter W. Howorth, ‘The treatment of shell-shock: Cognitive therapy before its time’, Psychiatric Bulletin 24 (2000) 225.

[14] Myers, ‘Contributions to the study of shell shock’, 611.

[15] Leo van Bergen, ‘Over shellshock, d’n klop en Kriegsneurose’, Leidschrift 29.2 (2014) 100.

[16] Leo van Bergen, ‘Hippocrates in dienst van Mars. Medische zorg tijdens de Eerste Wereldoorlog’, Leidschrift 22.2 (2007) 99-100.

[17] E. Jones, N.T. Fear & S. Wessely, ‘Shell Shock and Mild Traumatic Brain Injury: A Historical Review’, American Journal of Psychiatry 164 (2007) 1642-1643.

[18] Het aantal executies aan de Franse zijde wordt vaak aan de muiterij van 1917 toegeschreven. Daarnaast werden veel soldaten veroordeeld vanwege misdaden welke in vredestijd ook strafbaar waren. Lafheid en desertie maakte ongeveer een kwart van het totaal aantal executies.

[19] Executies werden doorgaans uitgevoerd door soldaten uit hetzelfde regiment. Tien soldaten werden uitgekozen om vervolgens een vuurpeloton te vormen. Eén geweer was geladen met een losse flodder, zonder te weten welke; op deze manier kon iedere soldaat zichzelf wijsmaken dat hij niet degene was die verantwoordelijk was voor de dood van zijn kameraad.

[20] Leo van Bergen, ‘De militaire doodstraf in de Eerste Wereldoorlog’ (versie 1999), http://wereldoorlog1418.nl/doodstraf/index.html#15a (06-06-2015).

[21] Van Bergen, ‘Over shellshock, d’n klop en Kriegsneurose’, 96.

Advertenties