Onderaards Rome

Historici doen hun onderzoek vaak in archieven, waar ze eindeloos  door stoffige boeken, documenten en andere geschreven bronnen bladeren. Het kan echter anders. Ook schilderijen, sculpturen, films en allerlei andersoortige niet-tekstuele bronnen kunnen heel nuttig zijn voor historisch onderzoek. In Beeldspraak schrijft een docent van de Universiteit Utrecht over zijn of haar ervaring met onderzoek, aan de hand van een interessante beeldbron. Ditmaal de beurt aan prof. dr. Leonard Rutgers. Rutgers is hoogleraar Late Oudheid en schrijft een wekelijkse column over archeologische ontdekkingen voor het Financieel Dagblad. Daarnaast houdt hij een blog bij, waar actuele archeologische ontwikkelingen gevolgd kunnen worden (www.leonardrutgers.nl/vz). Zijn keuze voor deze rubriek viel op een foto die hij maakte in de Vigna Randanini catacombe aan de Via Appia in Rome.

rutgers

In de wereld van de geschiedwetenschappen is de beoefening van de oude geschiedenis een van de moeilijkste takken van sport. Zo zijn de beschikbare bronnen opgesteld in talen die bijna niemand meer kent. Bovendien is veel essentiële informatie uit die tijd voor altijd verloren gegaan. Dat kan een probleem zijn als je bijvoorbeeld onderzoek wilt doen naar de antieke wereld vanuit een kwantitatieve invalshoek.  Oudhistorici zijn daarom toch altijd ook detectives,  die zich niet snel uit het veld laten slaan. De studie van de Griekse en Romeinse oudheid is per definitie een zoektocht, maar wel eentje die vaak tot onverwachte, verrassende en spannende ontdekkingen leidt.

Ervaar je als oudhistoricus die spanning en sensatie ook zelf? Jazeker. Dat begon al toen ik nog studeerde. Toen ik voor mijn eindscriptie op zoek ging naar een onderwerp dat ruimte bood om als historisch speurder aan de slag te gaan, kwam ik al snel ik uit bij de catacomben van Rome. Dat bleek een gouden greep te zijn.

Veel lezers van dit blad zullen de catacomben kennen en hebben die misschien zelfs al wel eens bekeken tijdens een bezoek aan Rome. De catacomben zijn enorme onderaardse begraafplaatsen, waarin zowel de joodse als de vroegchristelijke gemeenschap van Rome hun doden hebben bijgezet. Rondom Rome zijn er tientallen van dit soort catacomben bewaard gebleven. Ze bestaan uit een gangnetwerk met een lengte vele kilometers en bevinden zich op soms wel vijf verschillende ondergrondse niveaus onder elkaar. Ze bevatten een geschat aantal graven van rond de half miljoen. De catacomben puilen ook uit met inscripties, wandschilderingen, sarcofagen en allerlei ander archeologisch vondsmateriaal. Er is geen andere plek ter wereld waar de culturele wortels van Europa zo tastbaar voorhanden en zo goed bewaard zijn gebleven.

In die gedeeltes van de catacomben die voor toeristen toegankelijk zijn, is niet altijd even veel meer te beleven: er is elektrisch licht aangebracht en de graven zijn leeggehaald. Spannend daarentegen wordt het als je in de niet-openbaar toegankelijke delen naar binnen gaat voor eigen onderzoek. Dan kom je ruimtes tegen zoals de hier afgebeelde grafkamers. Die bevinden zich ver onder de grond, in een joodse catacombe aan de Via Appia, een van de belangrijkste wegen in het Romeinse Rijk.

De wanden van deze met elkaar verbonden grafkamers zijn bewust wit gehouden om het fakkellicht van de bezoekers zoveel mogelijk te laten weerkaatsen. De afgebeelde vogels, hoewel met luttele penseelstreken neergezet, zijn uitermate realistisch. Ze lijken ieder moment te kunnen wegvliegen. Dat is bewust gedaan: de makers van deze ruimte wilden daarmee de doden in de monumentale tombes links en rechts (onder de bogen) het idee geven dat er leven was na de dood. Dat postmortale leven speelde zich volgens de schilders van deze ruimte dus af in een pastorale omgeving met vreedzaam gevogelte,  vrij van de dagelijkse beslommeringen van het aardse leven.

Ik herinner met nog goed hoe ik als tweeëntwintigjarige eindeloos door dit soort grafkamers en donkere onderaardse gangen dwaalde, met een zaklantaarn in de hand, omgeven door totale stilte en absolute duisternis. Je komt terecht in een tijdscapsule waar de tijd al die eeuwen is blijven stilstaan: tijdens de afdaling naar beneden loop je letterlijk de geschiedenis binnen. Overal om je heen zie je de resten van de mensen die deze monumenten hebben uitgegraven en ingericht. In wezen is het een wereld waar de antieke mens nog altijd regeert; de moderne onderzoeker is er zonder meer the odd one out. Een ervaring om nooit te vergeten.

Overigens kunnen sommige van onze Utrechtse studenten daarover meepraten, want zij gingen mee op veldwerk op het moment dat ik grootschalig vervolgonderzoek deed. Bij dat onderzoek bleek dat je met geavanceerde natuurwetenschappelijke technieken tot volstrekt nieuwe historische inzichten kan komen wat betreft interculturele verhoudingen, historische demografie, sociale geschiedenis, en nog veel meer. Zo verzamelden we monsters om die vervolgens met behulp van een deeltjesversneller te dateren. Op deze manier konden we de hoeveelheid radioactiviteit bepalen, deze methode staat ook wel bekend als de C14-datering. Uit dit onderzoek bleek dat de joodse catacomben in Rome ouder waren dan de christelijke, wat niet alleen bij wetenschappers, maar ook bij het Vaticaan voor de nodige opschudding zorgde.

Dankzij dat soort  methoden staan we nu aan de vooravond van een nieuw tijdperk in de historische wetenschappen, waarbij het in ieder geval nu al duidelijk is dat de studenten van straks substantieel meer over het verleden zullen weten dan de docenten van nu: al met al een opwindende tijd om jong te zijn en geschiedenis te studeren.

Advertenties