De passie van… Ed Jonker

DE PASSIE VAN

Op de dag van ons interview met Ed Jonker is hij officieel al met emeritaat, maar toch moeten we, omdat hij nog in gesprek is met een student, een kwartier op hem wachten. De emeritus hoogleraar maakt namelijk liever de cursus Grondslagen van de Geschiedwetenschap af voordat hij afzwaait. Dat laat hij zich zogezegd ‘niet afpakken’, en ook de toetsing wil hij nog afronden. Het moge duidelijk zijn dat lesgeven een passie is voor Jonker. Het is echter niet het enige wat hem bezighoudt. Jonker blijkt namelijk samen met zijn vrouw een aardige kunstcollectie te hebben verzameld.

Zelf omschrijft Jonker zijn kunstverzameling als een uit de hand gelopen hobby. Het begon met een los schilderij aan de wand in het trappenhuis van zijn woning. Dat bleef een poosje zo – ‘het hing zo mooi in zijn eentje’ –  maar na verloop van tijd ontstond het idee dat er best nog één of twee bij konden, en toen was het hek van de dam. Intussen is dat ene schilderij onderdeel van een gestaag groeiende verzameling schilderijen, grafiek, beeldjes en keramiek.

Van een organisatorisch principe achter de collectie is niet echt sprake. Het varieert van figuratief tot abstract en wiskundig, allemaal van kunstenaars die nog in leven zijn, want dat is betaalbaarder. Conceptuele moderne kunst van na de jaren zeventig zul je er echter niet snel tegenkomen. Dat wordt een beetje oplichterij, naar zijn idee. Het moet ambachtelijk zijn: de kunstenaar moet iets kunnen wat alle anderen niet kunnen. Al weet hij als historicus natuurlijk goed dat ook vroeger schilderijen in grote werkplaatsen bijna fabrieksmatig gemaakt werden. Het is meer een gevoel dan een regel.

Ter gelegenheid van een groot feest hebben Jonker en zijn vrouw een keer de collectie door een bevriende galeriehoudster laten exposeren. Dat was leuk om te zien. Losgemaakt van de context van het huis, waar de kunstcollecFoto jonker voor Aanzet (1)tie op een vertrouwde manier geordend is en omringd wordt door meubels en andere rotzooi, kreeg de kunst een nieuw effect: het werkte bevreemdend. Bij dit feest hadden ze een aantal experts uitgenodigd om de collectie ‘af te kraken’. Een van die experts was Maarten van Rossem, die constateerde dat alle kunst daar ‘licht ironisch’ te noemen was. Huiskamerkunst. Dat beaamt Jonker: ‘Je wilt natuurlijk geen gruwelijk tafereel aan je muur hebben’. Misschien is dat dan het ordenend principe van de collectie: de kunst moet prettig zijn om naar te kijken.

Hoewel Ed Jonker met zichtbaar plezier vertelt over zijn collectie en kunst in het algemeen, zou hij het toch niet een passie noemen. Daarop rijst natuurlijk de vraag wat zijn passie dan wel is, al kunnen we het antwoord al wel raden: onderwijs. ‘En dat is toch pijnlijk’, voegt hij toe, ‘want dat houdt een keer op’.  Vooral het contact met studenten tijdens werkcolleges gaat hij missen. Ondanks al het geklaag over het niveau van de master en bachelor is het met het onderwijs namelijk wel zo dat je over het algemeen slimme mensen voor je hebt zitten, waarvan in ieder geval de helft van plan is om er echt iets aan te doen. ‘Die zijn receptief en eigenwijs’.

Opvallend is dat Jonker zijn hele academische carrière bij de Universiteit Utrecht heeft doorgebracht. Zelf omschrijft hij het in monnikentermen als een soort stabilitas loci, kloosterlijke plaatsgebondenheid. Hij heeft in Utrecht gestudeerd en is er inclusief student-assistentschappen 42 jaar werkzaam geweest. Tegenwoordig kan dat volgens Jonker helemaal niet meer. ‘Ik geloof dat er in officiële eisen zelfs staat dat je bepaalde tijd in het buitenland gezeten moet hebben. Dat wordt allemaal gespecificeerd’.

Jonker gaf binnen de universiteit vooral cursussen als Inleiding en Grondslagen van de Geschiedwetenschap. Doordat deze cursussen verplicht zijn zag hij vaak studenten die bij aanvang duidelijk hun twijfels hadden, maar ergens halverwege is er altijd een gedeelte dat begint te herkennen waar het over gaat. Die omslag vindt Jonker mooi. Dat die niet altijd resulteert in fantastische eindresultaten doet daar niets aan af, omdat onderwijs in zijn ogen veel meer is dan alleen toetsing.

Daarmee raken we meteen aan een aspect van onderwijs dat hij niet zal missen: de groeiende nadruk op toetsing en controle. ‘Alles is tegenwoordig gericht op toetsing en documentatie van die toetsing; denk aan tweede en derde lezers. Scripties moeten precies voldoen aan normen zoals die in de slechte sociale wetenschappen gesteld worden.’ Het paradoxale is dat een cursus  hierdoor op een bepaalde manier moet worden ingericht om controleerbaar te zijn voor de visitatiecommissie, terwijl dat volgens Jonker niet altijd bijdraagt aan een betere inhoud van de cursus. Hij omschrijft de controledwang daarom als een ‘vorm van georganiseerd wantrouwen’ die een beetje de spuigaten uitloopt.

Jonker heeft het gevoel dat de dingen die fout zijn gegaan in het primair en secundair onderwijs nu de universiteit bereiken als iets wat nieuw en goed is. ‘Kinderen kregen in het lager onderwijs steeds meer kunstjes en trucjes aangeleerd. Hoewel het daar nu teruggedraaid wordt, met de verminderde invloed van de Cito-toets bijvoorbeeld, zie je op de universiteit juist een inhaalslag. Het moet didactischer, in behapbare brokken en toetsbaar. Alle fouten worden hier opnieuw gemaakt.’ Hij vindt het daarbij interessant dat onderwijsgevenden er ook aan meedoen. ‘Je ziet het vaak als we nieuwe cursussen gaan maken. Dan is er een enthousiaste poel docenten die iets nieuws wil proberen en een extra deeltoetsje wil invoeren om extra feedback te geven en hier nog iets toe wil voegen en daar nog iets. Het idee is dat we jullie generatie met allerlei extraatjes bij de les moeten houden. Het probleem is alleen: je moet dat wel allemaal zelf gaan doen!’

De cursussen worden, zodra ze zijn opgezet, geformaliseerd en in een computersysteem gezet. Hierdoor is het niet meer mogelijk om de veranderingen te negeren. ‘De computer kan tegenwoordig precies zien of je iets wel of niet gedaan hebt. Als het niet ingevuld is, zou het kunnen zijn dat hij gewoon het eindcijfer niet invult.’ Een cursus die met de beste bedoelingen is opgezet wordt op deze wijze weer controleerbaar gemaakt. Het onderwijs gaat zo steeds meer lijken op een geoliede machine voor efficiënte kennisoverdracht. Studenten kunnen zich in dit systeem geen vergissingen meer permitteren. Een student die tegen het advies van zijn docent ingaat en daarmee een paar maanden verkloot, dat gaat niet meer. Niet alleen omdat de student met zijn neus in de goede richting gezet wordt, maar ook omdat docenten erop worden afgerekend en bovendien zelf vinden dat ze de plicht hebben om studenten voor deze fouten te behoeden. ‘Er ontstaat steeds minder ruimte voor gekke vogels, excentriekelingen, omdat dat niet past in het didactisch geordend geheel, en dat is lang niet altijd goed natuurlijk.’

Een vergelijkbaar uniformiseringsproces herkent Jonker in de beoordeling van onderzoeksvoorstellen. ‘Het is goed dat ze studenten hier in Utrecht leren hoe je een voorstel moet opzetten, want anders kom je überhaupt niet aan de bak. Je moet “onderzoeksproza” schrijven. In hún categorieën. Dan kun je in de prijzen vallen en mag je vier jaar onderzoek doen.’ Jonker vertelt over deelnemers aan de landelijke onderzoeksschool voor cultuurgeschiedenis die bij hun intake vertelden dat bepaalde dingen alleen maar in hun onderzoeksvoorstel stonden om de slagingskans te verhogen. Met de beurs eenmaal op zak hadden ze hele andere plannen. Jonker vindt dit aan de ene kant grappig, het bloed kruipt waar het niet gaan kan, maar aan de andere kant vindt hij het raar dat je bedrog moet plegen om geld te krijgen. ‘Als de kassa maar rinkelt, en vervolgens ga je lekker doen wat je zelf inhoudelijk belangrijk vindt. Dat is een rare kronkel.’

De protesten van studenten en medewerkers van de Nederlandse universiteiten van de laatste tijd begrijpt Ed Jonker goed. Hij heeft zelf, in bescheiden vorm, wel eens eerder voorzichtige aanzetten proberen te geven voor verandering. Altijd kreeg hij bijval van docenten, maar het bleek telkens lastig om er gevolg aan te geven. Om te zeggen dat we ermee stoppen bij elke cursus lullige deeltoetsjes te geven of didactische plannen te schrijven die meer tijd kosten dan de inhoud zelf is één ding, maar om dat dan ook daadwerkelijk tegen de regels uit te voeren is iets heel anders. Daarvoor moet je eerst een aanstelling hebben waarmee ze je er niet uit kunnen gooien, zelfvertrouwen hebben en je gesteund weten – en dat zakt dan toch in elkaar. Jonker vindt het opvallend dat het protest van nu meer momentum heeft. ‘Het duurt langer, er zijn meer betrokkenen en ook in de hogere echelons willen ze wel mee.’ Met de hete adem in de nek van al die anderen lijken ze meer naar de inhoud te draaien en wat minder naar het protocol.

Of er ook echt iets verandert, valt volgens Jonker nog maar te bezien. Het is volgens hem vanwege de dominantie van bureaucratische mechanismes lastig om iets te veranderen. ‘Van Max Weber weten we dat bureaucratisering alsmaar doorgaat en nieuwe bureaucratisering oproept. En we weten uit de prachtige sociale geschiedenis van Barrington-Moore wat er allemaal voor nodig is om mensen in opstand te laten komen. Over welke hobbels je allemaal heen moet. Het mooie van onderwijs is dat je kunt laten zien hoe deze mechanismes werken.’

Dat Ed Jonker met pensioen gaat betekent niet dat hij zich terugtrekt uit de academische wereld. Hij blijft bijvoorbeeld nog betrokken bij International Journal for History, Culture and Modernity, een tijdschrift waar hij, als mede-oprichter, al jaren deel uitmaakt van de redactie. Redactiewerk heeft Jonker altijd leuk werk gevonden omdat hij daar dingen echt goed moest lezen die hij normaal niet zo goed zou lezen. Daarnaast gaat hij nog wat losse dingen doen met ‘cursussen, toeters en bellen, researchmasters en ander onderwijs’. Dagvullend zal het niet meer worden. Wat hij gaat doen met zijn vrije tijd weet Jonker echter nog niet. Hij zal in ieder geval niet allemaal kunst gaan kopen, want dat is te duur. Wel zal hij eindelijk tijd hebben om voor het plezier een boek over een aardig onderwerp op zijn gemak van kaft tot kaft te lezen. Vaak zal dat toch een geschiedenisboek zijn.

Of hij daar nog wat mee gaat doen in creatieve zin weet hij niet. ‘Ik ben wel zo lui om niet zomaar te gaan zitten schrijven. Daar moet een reden voor zijn.’ Een congres of een bundel of een artikel voor een tijdschrift zou zo’n reden kunnen vormen, en daar heeft Jonker ook nog wel wat plannen voor. Of hij ze daadwerkelijk gaat uitvoeren, weet hij nog niet. In ieder geval geeft hij 16 september wel zijn afscheidsrede over moderniteit en geschiedenis en over de stand van het vakgebied, een onderwerp dat hem na aan het hart ligt. Bovendien blijft hij via de redactieraad betrokken bij Aanzet. Onze redactie wenst Ed Jonker in ieder geval veel plezier met de vrijheid van het emeritaat.

Advertisements