Een wetenschapper in de museumwereld

Renger de BruinTijdens de studie geschiedenis wordt het belang van de nuance veelvuldig benadrukt. Omdat veel studenten hier nog weleens over mopperen, vroegen wij ons af hoe belangrijk “de nuance” ná de studie is. We stelden de vraag aan de conservator stadsgeschiedenis van het Centraal Museum, Renger de Bruin. In zijn functie is de afweging tussen de wetenschappelijke nuance en een duidelijk verhaal voor het publiek van groot belang. Maar er komt nog veel meer bij kijken.

In 1993 zag Renger de Bruin een advertentie van het Centraal Museum in de NRC. Ze zochten een conservator stadsgeschiedenis. “Ik dacht: laat maar eens proberen.” Daarvóór nam zijn carrière allerlei bijzondere wegen. Na zijn studie geschiedenis aan de Universiteit Utrecht bleef hij tot en met zijn  proefschrift actief binnen de universiteit. Als dertigjarige doctor kwam hij in 1986 terecht op een moeilijke arbeidsmarkt. “Het was vergelijkbaar met nu, maar dan nog erger”. In zijn zoektocht naar werk stelde hij onder andere een tentoonstelling samen over de patriottentijd voor het Gemeentearchief Utrecht. Uiteindelijk kreeg hij een baan bij het Leids Instituut voor Sociaal Beleidsonderzoek (LISBON), verbonden aan de Universiteit Leiden. Daar bracht hij het publicatiegedrag van historici en beleidskundigen in kaart. Later zou hij nog meer publicatie- en citatieanalyses doen, onder andere voor Elsevier Science Publishers en de Europese Commissie. “Ik werkte samen met een wiskundige. We waren een heel goed team, mede doordat hij oog had voor de speciale zoektechnieken van een historicus.” Vooral de andersoortige bronnen die De Bruin gebruikte maakten dat hij de database van Elsevier tot een krachtiger middel kon maken. Publicaties die bijvoorbeeld voorheen toegeschreven werden aan de “Universiteit Leyden” werden nu ook opgeteld bij de publicaties van de Universiteit Leiden. Tussen het analysewerk door kreeg hij een aanstelling als gasthoogleraar aan de voormalig Oost-Duitse universiteit van Greifswald. In die tijd begon het historisch métier weer te kriebelen. In Nederland was dit het moment om als conservator stadsgeschiedenis aan de slag te gaan bij het Centraal Museum. Terug in de stad waar het allemaal begon.

De conservator aan het werk

Inmiddels vervult hij al twintig jaar deze functie. Het takenpakket ervan is breed. “Je bent met een hele rits klussen tegelijk bezig”. De conservator bedenkt en maakt de tentoonstellingen, maar is ook betrokken bij alles eromheen. Zo schrijft hij de bijschriften voor in de zalen en stelt hij  de catalogus samen. Als voorbeeld toont De Bruin de catalogus van de nu reizende tentoonstelling over de Vrede van Utrecht, In Vredesnaam. Voor deze tentoonstelling houdt  hij zich ook bezig met de logistiek en de financiering. “Ik heb zelf in de vrachtwagen van Utrecht naar Madrid en van Madrid naar Rastatt gezeten.” Ter plekke controleert hij de objecten op schade en licht hij ze toe aan de plaatselijke conservator.

Zijn buitenlandse collega’s zijn vaak goede bekenden. De Bruin vertelt over het netwerk dat hij moet aanspreken en instandhouden om tentoonstellingen te maken. Voor In Vredesnaam had De Bruin bijvoorbeeld het Verdrag van Baden nodig. Dit verdrag maakte een einde aan de vijandelijkheden tussen het Heilige Roomse Rijk en Frankrijk, en is een deel van de Vrede van Utrecht. De Duitse versie van het document bleek echter te beschadigd om tentoon te stellen, dus moest De Bruin op zoek naar de Franse versie. Hier kwam zijn netwerk goed van pas. In eerste instantie wendde de conservator stadsgeschiedenis zich tot een Zwitserse diplomaat die over deze vrede een proefschrift schreef. Deze wist echter niet waar het originele document zich precies bevond. Gelukkig kende De Bruin uit het congrescircuit een hoogleraar aan de Sorbonne, die hem wel verder kon helpen. Uiteindelijk vond hij zelf het document op de website van het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken. Juist dit internationale aspect, waar zijn talenkennis van pas komt, vindt De Bruin ontzettend leuk.

Minstens zo uitdagend is de samenwerking met andere disciplines. “Historici hebben een fundamenteel andere kijk op objecten dan kunsthistorici. Een historicus vertelt een verhaal, hij vraagt zich af wat het kunstwerk voorstelt, terwijl een kunsthistoricus kijkt naar de esthetische kwaliteiten van het werk.” Dit levert wel eens frictie op; bij sommige musea heeft de kunsthistorische conservator de neiging om een werk niet snel aan een historische tentoonstelling uit te lenen. “Het werk hangt er dan niet vanwege de kunstenaar maar vanwege het mannetje [op het schilderij]”, is hun redenatie volgens De Bruin. Aan de andere kant kunnen de verschillende disciplines veel van elkaar leren. De Bruin vertelt over een tentoonstelling waarbij hij moest samenwerken met archeologen. Zij leerden hem nieuwe technieken om houten objecten te dateren. “Er gingen nieuwe werelden voor me open”, zegt de conservator.

Een balans tussen wetenschap en publiek

Als historicus vindt De Bruin het belangrijk om ook de nuance niet uit het oog te verliezen: Een tentoonstelling moet gebaseerd zijn op degelijk onderzoek, maar daardoor niet saai worden. “Het is de kunst om het aan de ene kant zo te versimpelen dat bezoekers het snappen, maar aan de andere kant moet het geen onzin zijn.” Om deze nuance op te zoeken begon de catalogus van In Vredesnaam bijvoorbeeld met de zin: “De Vrede van Utrecht bestaat niet. Althans, niet als één document.” Op deze manier laat de catalogus in eenvoudig taalgebruik zien dat de Vrede van Utrecht eigenlijk een constructie is van verschillende bilaterale verdragen.

Die nuance is voor De Bruin van groot belang. “De historicus heeft toch ook een opvoedende taak”, zegt hij, “hij moet laten zien dat historische kennis leidt tot een beter begrip van het heden.” Niet alleen op het gebied van politiek en diplomatie (De Bruin betoogt dat bijvoorbeeld Obama te weinig rekening houdt met het gevoelige verleden van de Krim vanuit Russisch oogpunt), maar zeker ook op cultureel vlak. Eén van de doelen van een tentoonstelling is om de culturele bagage van het publiek te vergroten. Daarnaast is een expositie “toch ook een soort een publicatie”, je kunt er de confrontatie met vooroordelen mee aangaan.

Maar een tentoonstelling is ook weer niet gemaakt voor vakgenoten, beweert De Bruin. “Een ruimte vol papier is dodelijk saai.” In de zalen van het Centraal Museum is dan ook veel ruimte voor interactiviteit. Tijdens In Vredesnaam konden de bezoekers een uitgebreid spel spelen waarin de diplomatie van 18e eeuws Europa opnieuw beïnvloed kon worden. Op deze manier kon het publiek zien wat dit voor effect had op de grenzen van de Europese mogendheden.

Vlak voor het eind van het gesprek benadrukt De Bruin nog eens het belang van de balans. Precies dát is de reden dat een historicus zo breed toepasbaar is op de arbeidsmarkt: “hij kan dingen écht goed uitzoeken en daar rustig over na denken, er conclusies uit trekken en die vervolgens begrijpelijk maken voor het publiek.”

~ Gidi Pols en Nick Oosterwijk

Advertisements