Bossenbroek, gids in de Boerenoorlog

recensie gidiDe Boerenoorlog
Martin Bossenbroek
Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, €24,95, 613p.
ISBN 978 90 253 6993 4

De laatste twintig jaar wordt Zuid-Afrika bestuurd door een zwarte president. De regerende partij, ANC, is nu ook bezig de geschiedenis deels terug te claimen voor haar achterban. Straatnaamborden die verwijzen naar oude Boerenstrijders worden vervangen. Voortaan zullen de straten de naam dragen van een legendarisch stamhoofd of een vroege ANC-leider. Zelfs voor de bestuurlijke hoofdstad Pretoria, vernoemd naar Voortrekker Andries Pretorius, dreigt een naamsverandering. Langzaam probeert het ANC  de sporen van de Boerenoorlog (1899-1902) te laten verdwijnen, tot ongenoegen van veel Afrikaners.

Ook volgens historicus Martin Bossenbroek is de geschiedenis van de oorlog nog steeds bijzonder interessant. De achterflap legt kort uit waarom: “Oorsprong van de apartheid. Eerste mediaoorlog. Voorproefje van de Eerste én Tweede Wereldoorlog.” Het verhaal van twee nietige kolonistenrepublieken tegen een imperialistische supermacht. “Ik hoop dat je door dit boek meer kunt begrijpen hoe de idioot complexe situatie in Zuid-Afrika is ontstaan”, zegt Bossenbroek in een promofilmpje voor de Libris Geschiedenis Prijs. Het doel is duidelijk: een leesbare, gedegen geschiedenis voor een groot publiek.

Dat is gelukt. Het boek is bijzonder vlot geschreven en ondanks de behoorlijke omvang leest het weg als een stuiverroman. Vanaf bladzijde één wordt de lezer op een paard gezet en mee gevoerd door het levendig beschreven landschap van de Boerenrepublieken Transvaal en Oranje Vrijstaat. De tocht wordt geleid door vier gidsen: de Nederlandse jurist Willem Leyds, de Engelse oorlogsverslaggever Winston Churchill, de Boerencommando Deneys Reitz en, in de proloog en epiloog, Martin Bossenbroek zelf. Ieder van hen neemt een eigen tijdsdeel van de oorlog en een eigen gezichtspunt voor zijn rekening.

Tijdens de voorgeschiedenis, vanaf juni 1884 tot het uitbreken van de oorlog in oktober 1899, volgt het boek de stappen van Leyds. Als staatsprocureur en later als staatssecretaris in dienst van de Zuid-Afrikaanse Republiek (Transvaal) was hij het meest sprekende voorbeeld van de groep Nederlanders die president Kruger om zich heen verzamelde. De periode vanaf het uitbreken van de oorlog tot de verovering van de Transvaalse hoofdstad Pretoria in juni 1900 wordt beschreven uit het avontuurlijke oogpunt van de vierentwintigjarige Winston Churchill. De latere Engelse premier werkte in die tijd als oorlogscorrespondent en hoopte met zijn schrijfwerk genoeg reputatie op te bouwen om carrière te kunnen maken in de politiek. Hij neemt de lezer mee het slagveld op en blijkt goede familiecontacten te hebben in de legertop en de hogere politieke kringen. Na de verovering van Pretoria keert Churchill terug naar Engeland en begint inderdaad met zijn klim op de politieke ladder. Ondertussen woedt de oorlog in Zuid-Afrika door. De Boerenbevolking en de krijgsgevangenen worden in interneringskampen gestopt, terwijl enkele tienduizenden Boerenmannen, de bittereinders, volharden in hun strijd. In dit deel van de oorlog, inmiddels een guerrillastrijd, volgen we de net-volwassen Deneys Reitz, een Boerencommando en tevens zoon van oud-president van Oranje Vrijstaat en staatsprocureur van Transvaal, Francis William Reitz, tot het bittere eind. Dat einde kwam er in 1902 in de vorm van een eervolle overgave van de Boeren: de Engelsen hadden gewonnen, maar gunden de Boeren zelfbestuur onder Britse soevereiniteit.

Hoewel Bossenbroek een verhaal vertelt, verliest hij de wetenschap nooit uit het oog. In de proloog loopt de auteur door het museum dat de herinnering aan de Boerenoorlog moet bewaken. Aan de hand van verschillende kamers vertelt hij over de historiografie van het debat. De kamers zijn vernoemd naar grote Boerenleiders: Steyn en De Wet, Kruger, Botha. Eén kamer verwijst naar Emily Hobshouse, een Britse vrouw die streed voor betere omstandigheden voor de Boeren in de kampen. Volgens Bossenbroek symboliseren de kamers de traditionele kijk op de Boerenoorlog, als strijd tussen de Boeren en Britten en verraden ze, ondanks Hobshouse’ zaal, een nadruk op ‘Grote Witte Mannen’ in de geschiedschrijving. Dan loopt Bossenbroek plots de Sol Plaatje-zaal in. Plaatje schreef het enige overgebleven dagboek van een zwarte Zuid-Afrikaan en was bovendien in 1912 medeoprichter van het ANC. De zaal is “een gelukkige keus als symbool voor een historische waarheid die pas in de jaren tachtig van de twintigste eeuw ten volle werd onthuld.” Zo heeft ook de zwarte bevolking die meevocht en stierf in deze white man’s war een plaats gekregen in de herdenking en het debat. Eén invalshoek ontbreekt echter, zowel in het museum als in het uitgebreide historische debat: het Nederlands perspectief. Volgens Bossenbroek ontbreekt hiermee “een cruciale schakel in de keten van oorzaak en gevolg.” Nederlanders vervulden namelijk sleutelposities in de Transvaalse en Oranje Vrijstaatse politiek en industrie. Daarnaast steunde de Nederlandse bevolking de Boeren met volle overtuiging in hun oorlog tegen de Britten. Dit boek vormt dan ook een toevoeging op het wetenschappelijk debat door ook het gezichtspunt van de Nederlander in het grote geheel te brengen, en wel in de vorm van Willem Leyds.

Geen verkeerd streven, een completer beeld. Het boek geeft duidelijk weer hoe president Kruger door de import van Nederlanders en hun kapitaal probeerde de jonge Transvaalse republiek vorm te geven. De vraag is echter of de Nederlanders wel echt de importantie hadden die Bossenbroek nu doet geloven. De steun vanuit ons land leidde nauwelijks tot politieke druk tijdens de oorlog. Het Nederlandse volk volgde de Boerenzaak enthousiast, maar de regering durfde simpelweg niet tegen het machtige Engeland te ageren. Daar staat tegenover dat Leyds en enkele van zijn juridische leermeesters zich wel vol overgave voor de Boerenzaak inzetten en verwoede pogingen hebben gedaan om diplomatieke steun uit andere landen te krijgen.

Bossenbroek maakte de historiografie rondom de Boerenoorlog completer door de Nederlander in het verhaal te passen. Daarmee veranderde hij echter niet de bredere nadruk van het debat: het blijft een politieke geschiedenis van een oorlog waar we voornamelijk de Grote Mannen volgen. Toch geven deze Grote Mannen een redelijk inzicht in de ontberingen van de gewone Boer of Brit. Churchill sprak als correspondent veel soldaten en trok met hen op het gevecht te gemoed en Reitz was nog te jong om van zijn latere status of zijn vaders status gebruik te kunnen maken. Door de sporadische bezoeken van Emily Hobhouse ontbreken ook de blikken in de interneringskampen niet, al blijven ze vluchtig. Het perspectief van de zwarte bevolking is echter wel totaal afwezig en zo blijft het toch een beetje een verhaal over een white man’s war die het volgens Bossenbroek zelf niet was. Gelukkig maakt hij dit deels goed met zijn voor- en nawoord over de huidige creatie van een nieuwe historische traditie waarin de zwarte bevolking de hoofdrol speelt.

~Gidi Pols

Advertisements