Science inside out

Objectiviteit en marginalisering in wetenschapsgeschiedenis

Originele tekening van de Brabantse arts Andreas Vesalius

Historici doen hun onderzoek in stoffige archieven, waar ze eindeloos boeken, artikelen en andere geschreven bronnen lezen. Het kan echter anders. Ook schilderijen, sculpturen, films en allerlei andersoortige niet-tekstuele bronnen kunnen heel nuttig zijn voor historisch onderzoek. In Beeldspraak schrijft een docent van de Universiteit Utrecht over zijn of haar ervaring met onderzoek aan de hand van beeldbronnen. Ditmaal wordt dit gedaan door Iris Clever, docent bij de afdeling cultuurgeschiedenis van de Universiteit Utrecht. Clever begint volgend collegejaar haar PhD in de Verenigde Staten. In haar onderzoek houdt zij zich bezig met de relatie tussen objectiviteit en sociale verhoudingen om een licht te werpen op de maatschappelijke functie van wetenschap. Zij koos voor een afbeelding van Andreas Vesalius en vertelt over de ‘neutraliteit’ van wetenschap.

Andreas Vesalius

Deze tekening, in 1538 gemaakt door de Brabantse arts Andreas Vesalius, toont het mannelijk en vrouwelijk geslachtsorgaan.[2] Zoals te zien is, is het best lastig om te onderscheiden welke afbeelding bij welke sekse hoort. Het vrouwelijke orgaan (rechts) wordt voorgesteld als een naar binnen geklapte, onderontwikkelde versie van het standaardlichaam, dat wel volgroeid is: dat van de man (links). Volgens Vesalius is er dus één lichaam met een ontwikkelde, mannelijke versie en een onderontwikkelde, vrouwelijke versie.

Het historisch geconstrueerde lichaam

Ik kwam voor het eerst in aanraking met deze afbeelding tijdens mijn bachelor Geschiedenis. Het druiste in tegen alles wat ik wist over de biologie van het lichaam. Hoe konden wetenschappers het lichaam zo anders begrijpen? Juist dat onbekende element van wetenschapsgeschiedenis fascineerde me. Het toont de historiciteit van kennis en het feit dat wetenschap afhankelijk is van contemporaine wereldbeelden.

De historicus Thomas Laqueur gebruikte deze afbeelding in zijn studie Making sex: body and gender from the Greeks to Freud.[3] Deze studie toont aan dat men aan de hand van dit soort afbeeldingen kan analyseren hoe wetenschap in het verleden werd beïnvloed door wereldbeelden. Laqueur stelt dat deze afbeelding, die impliceert dat vrouwen een onderontwikkelde versie van de man zijn, het idee ondersteunde dat mannen lichamelijk superieur waren aan vrouwen en dus de politieke macht dienden te hebben, in tegenstelling tot biologisch inferieure vrouwen. Zijn studie demonstreert dus niet alleen dat wetenschap beïnvloed werd door wereldbeelden, maar dat dergelijke kennis ook ingezet werd voor politieke doeleinden en de marginalisering van groepen in de samenleving. Door wetenschap in het verleden te contextualiseren zien we dus dat het een wederkerige relatie heeft met ‘de samenleving’ en historisch gezien niet neutraal is. Er zijn vele andere historische voorbeelden van deze wederkerige relatie tussen wetenschap en de maatschappij. Denk bijvoorbeeld aan de negentiende-eeuwse rassenleer in de fysische antropologie en geestesziekten in de psychologie.

Wetenschap en emancipatie

Als wetenschap in het verleden beïnvloed werd door wereldbeelden en ingezet werd om groepen in de samenleving te marginaliseren, wat zegt dat dan over hedendaagse wetenschap? Deze vraag wordt sinds een aantal decennia gesteld door kritische geesten binnen onder andere genderstudies en postcolonial studies. Zij beargumenteren dat de politieke kracht van wetenschap nu juist zit in het feit dat wetenschappelijke kennis als objectief en natuurlijk gepresenteerd wordt, in heden en verleden. Hedendaagse wetenschappers beargumenteren dat iets natuurlijks en biologisch als het lichaam niet afhankelijk is van wereldbeelden en claimen dat hedendaagse kennis neutraler en objectiever is dan in het verleden. Door echter aan te tonen hoe wetenschap nog altijd in dienst staat van het in stand houden van bepaalde maatschappelijke verhoudingen tonen dergelijke theoretici hoe maatschappelijke in- en uitsluiting door kennis werkt. Hierin ligt de emancipatoire potentie van dergelijke studies verscholen: door keer op keer aan te wijzen waarom wetenschappelijke claims niet objectief zijn, kunnen we zaken die voor ons neutraal lijken – zoals de wetenschappelijke kennis over en behandeling van het lichaam – ontdoen van deze neutraliteit en het denken en spreken over thema’s zoals het lichaam veranderen.

Kort nadat ik de afbeelding van Vesalius en Laqueur’s studie had bestudeerd, liet ik een stapel boeken vallen in de bibliotheek. Een vriend van me reageerde daarop door me te vertellen dat hij net had gelezen dat wetenschappers genetisch bewijs hadden gevonden voor de claim dat vrouwen biologisch gezien zwakker waren dan mannen. Opeens luisterde ik op een heel andere manier naar deze opmerking. Wat was het doel van deze studie om dit biologische verschil aan te tonen? Is genetisch onderzoek objectiever dan de biologische analyse van het lichaam in het verleden? Ik hoop met mijn wetenschapshistorisch onderzoek over de relatie tussen objectiviteit en sociale verhoudingen een licht te werpen op de maatschappelijke functie van wetenschap, zowel in het verleden als het heden.

~Iris Clever
[1] T. Laqueur, Making sex: body and gender from the Greeks to Freud (Cambridge MA 1990) 80.
[2] A. Vesalius, Tabulae sex (1538).
[3] Laqueur, Making sex.

Advertenties