Nationalisme als westers exportproduct? Dertig jaar na Imagined Communities

imagined communitiesImagined Communities
Benedict Anderson
Verso, € 15,99, 240 p.
ISBN 978 18 446 7086 4

Waarom zijn mensen bereid te sterven voor een abstract begrip als ‘het vaderland’? Voor antropoloog, politicoloog en Zuidoost Azië-specialist Benedict Anderson was deze vraag het startpunt voor zijn onderzoek naar het ontstaan van de natie. Imagined Communities (Verbeelde Gemeenschappen) verscheen in 1983 en ontpopte zich – voornamelijk door het ontbreken van andere theorieën over nationalisme – tot een klassieker. Maar hoe relevant is dit werk nog na drie decennia aan wetenschappelijk onderzoek en het aanbreken van de ‘eeuw van globalisering’?  

Ten grondslag aan het nationalisme ligt volgens Anderson het idee van de Verbeelde Gemeenschap. Mensen voelen zich verbonden met elkaar, zonder dat zij elkaar kennen. Nationalisme is daarom eerder een collectief gevoel dan een politieke ideologie. Volgens Anderson moet de natie dan ook opgevat worden als een religie van denkbeeldige verwantschap. De natie is voornamelijk een cultureel verschijnsel en de wortels ervan dienen daarom in de cultuurgeschiedenis gezocht te worden.

De geboorte van de natie vond plaats in verschillende aan elkaar verbonden historische ontwikkelingen. Anderson identificeert er vijf, allen in de Europese context. Ten eerste noemt Anderson de toenemende desacralisering van het koningschap tijdens de Reformatie. In dit legitimeringsvacuüm moesten monarchen nieuwe manieren vinden om hun heerschappij over een bepaald volk te verklaren, waardoor de natie op politiek vlak een mogelijkheid werd. Een tweede factor was de kleinere rol die sacrale talen – met name het Latijn – gingen spelen in het dagelijks leven van mensen. De opkomst van landstalen was zowel een oorzaak als een gevolg hiervan. Ten derde noemt Anderson, enigszins vaag, een verandering in het tijdsbesef van mensen. Kranten en romans maakten het mogelijk om over mensen buiten de eigen kring van bekenden te lezen, waardoor het tijdsbesef tussen verschillende groepen mensen gesynchroniseerd werd. Men kon zich nu identificeren met mensen op andere plaatsen, zonder ze persoonlijk te kennen. Hierdoor kon het gevoel van verwantschap zich beter ontwikkelen.

De vierde en vijfde factor zijn nauw met elkaar verbonden: de boekdrukkunst en het kapitalisme. Het drukken van boeken in de landstaal zorgde voor een standaardisering van talen, maar leidde ook tot een gevoel van verwantschap met mensen die dezelfde taal beheersten. De opkomst van het kapitalisme zorgde vervolgens voor een grotere verspreiding van boeken en kranten, waardoor de ontwikkeling van een ‘seculiere’ verbeelde verwantschap een exponentiële groei door kon maken.

De zestiende, zeventiende en achttiende eeuw ziet Anderson vooral als de periode waarin de voorwaarden voor de ontwikkeling van de natie wortel schoten. Ondanks de Europese context waarin dit gebeurde plaatst Anderson de eerste echte ontwikkeling van de natie in de koloniën op het Amerikaanse continent. Een combinatie van spanningen tussen Europese kolonisten en het thuisland, de Verlichtingsideeën in kranten en de bestuurlijke inrichting van de imperiale rijken werkten een gevoel van nationale samenhorigheid onder de kolonisten in de hand.

Later dan in de Amerikaanse koloniën kreeg de natie ook in Europa voet aan de grond, mede door de Franse Revolutie. De eerste helft van de negentiende eeuw kende een bloei van nationale symbolen als vlaggen, liederen en talen. De volgende fase van het nationalisme in Europa, die Anderson ‘officieel nationalisme’ noemt, vond plaats tegen het einde van de negentiende eeuw. De natie werd nu van boven af door overheden opgelegd aan hun burgers. De laatste fase van het nationalisme is volgens Anderson de opkomst van naties na de dekolonisatie van vele Afrikaanse en Aziatische koloniën. De natiestaat domineerde nu wereldwijd als standaardmodel, waar geen ontkomen meer aan was. Tot slot voegde Anderson in de tweede druk van zijn boek in 1991 nog een hoofdstuk toe over de belangrijke rol die de koloniale staat speelde in het prepareren van de laatste golf van postkoloniaal nationalisme. Het tekenen van kaarten, het houden van volkstellingen en het oprichten van volkskundige musea door koloniale overheden versterkte het gevoel van een nationale samenhorigheid onder de inheemse bevolking.

Anderson weet de culturele oorsprong van de natie in Imagined Communities goed te benadrukken. Voornamelijk de belangrijke rol van taal in de ontwikkeling van samenhorigheid is een invloedrijke toevoeging aan het wetenschappelijk debat over nationalisme, al wijdt Anderson hier soms iets te veel over uit in zeer specifieke en moeilijk te volgen voorbeelden van romans en kranten. Een ander punt van kritiek is zijn geringe aandacht voor de rol van politiek en instituties in het vormen van de natiestaat. Alleen in de Amerikaanse context benadrukt Anderson hoe de bestuurlijke indeling van een land van invloed kan zijn op de opwekking van nationale gevoelens, terwijl de rol van staatsvorming in de hoofdstukken over Europa, Azië en Afrika vrijwel niet genoemd wordt. Maar ook buiten Amerika heeft staatsvorming een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de natie. Het is daarom jammer dat Anderson hier geen aandacht aan besteedt.

Misschien is het concept van de Verbeelde Gemeenschap wel te breed voor het verklaren  van de natie. De theorie is immers toepasbaar op verschillende niveaus, vanaf een stad tot aan de Europese Unie of zelfs nog tot vagere constructies als ‘het Westen’. Anderson maakt dan ook niet echt duidelijk waar nu precies het concept van de Verbeelde Gemeenschap overloopt in het ontstaan van de natie. Zou men bijvoorbeeld de wereldwijde Islamitische geloofsgemeenschap, de Oemma, ook niet tot een natie moeten rekenen? Of op kleinere schaal: zou de provincie Groningen dan ook niet als natie gezien moeten worden?

Ondanks de brede inzetbaarheid van het concept van de Verbeelde Gemeenschap benadrukt Anderson de Europese oorsprong van de natie, wat voor veel kritiek uit postkolonialistische kringen gezorgd heeft. Het idee van de natie als westers koloniaal exportproduct insinueert dat de gekoloniseerde bevolkingen zelf geen invloed hebben uitgeoefend op de natievorming van hun eigen land. Waar bijvoorbeeld de historicus Dipesh Chakrabarty de Bengaalse intellectuelen een belangrijke rol toeschreef in het aanpassen en vervormen van de natie in de vroege koloniale staat in India, probeert historicus, antropoloog en politicoloog Partha Chatterjee tot alternatieve vormen van nationalisme te komen, zoals ‘anti-koloniaal nationalisme’. Als Europese kolonisten in Amerika wel hun eigen draai konden geven aan de natie, waarom zouden de inheemse volkeren van gekoloniseerde gebieden dat niet kunnen? Dergelijke vragen problematiseren de stelling van Anderson, die immers benadrukt dat de natie een westers exportproduct is.

Al met al is het vooral de theorie van de Verbeelde Gemeenschap die nuttig kan zijn voor degenen die nationalisme beter willen begrijpen. Het verbonden voelen met mensen die je niet kent is een fenomeen dat zonder deze theorie moeilijk te verklaren is. In die zin verliest Imagined Communities haar relevantie niet. Andersons meesterwerk is echter moeilijker te behappen wanneer zijn theorie wordt omgevormd tot een historisch verhaal van westers succes, met name door de botsing tussen theorie en context. Imagined Communities kan nog steeds een bron van inspiratie zijn, al is een kritische houding voor historici wel degelijk van belang.

~Bastiaan Nugteren

Advertisements