De passie van… Leen Dorsman

A6461Als je grootste passie de universiteit is, wat word je dan? Gids in het universiteitsmuseum? Hoogleraar universiteitsgeschiedenis? Onderwijsdirecteur? Leen Dorsman werd het allemaal. ‘Als je kijkt naar mijn agenda word je helemaal gestoord.’ Aanzet praat met hem over zijn volle agenda, zijn historische evenbeeld en de mens achter de wetenschapper.

Op een maandagmorgen in oktober ontvangt Leen Dorsman ons, zich haast verontschuldigend, op zijn werkkamer op de Drift. Liever was de bijzonder hoogleraar universiteitsgeschiedenis met ons door het Academiegebouw gelopen, bekent hij. Want waarom slechts praten over universiteitsgeschiedenis als er ook door de geschiedenis van het instituut, dat tevens zijn passie is, gewandeld kan worden? Voor nu moeten we het doen met de verhalen. Terwijl hij snel nog even een mailtje afmaakt, volgt een aanstekelijk relaas over Hongaarse wandelstudenten, die van Hongarije naar Utrecht liepen om te studeren, en over de brand in het Academiegebouw, door studenten gesticht om hun adresgegevens te beschermen tegen de nazi’s.

Wie ooit college heeft gevolgd bij Leen Dorsman herkent deze bevlogenheid en de persoonlijke noot.  Het college bij Inleiding Geschiedwetenschappen waarin hij zijn vakantiefoto’s toont is traditie; de rondleidingen door het Universiteitsmuseum voor de eerstejaarsstudenten Geschiedenis zijn memorabel. Hoewel dit laatste hem veel tijd en energie kost, zou Dorsman dit niet uit handen willen geven. Geschiedenis is volgens hem overal, als je maar goed kijkt. ‘Ik wil dat mensen die persoonlijke historische blik leren ontwikkelen.’

Dorsmans’ eigen historische blik is al jaren vooral op de universiteit gericht. Zijn relatie met het instituut, waar hij ooit als student begon en als docent, onderzoeker en nu ook als onderwijsdirecteur werkzaam is, is veelzijdig. Wanneer zijn loopbaan ter sprake komt, valt het woord ‘toeval’ opvallend vaak. Dat Dorsman na de afronding van journalistiek op de valreep werd ingeloot voor de studie Geschiedenis was pure willekeur en ook de groeiende interesse voor ideeëngeschiedenis in combinatie met de negentiende eeuw was geen garantie tot succes. Toch hebben deze keuzes en zijn stressbestendige voorkomen hem veel gebracht. Lachend vertelt Dorsman over een uit de hand gelopen spreekuur dat hem een plaats als student-assistent bij de afdeling Historiografie opleverde. ‘Iemand zei tegen mij: je bleef zo rustig in die situatie, we dachten, die heeft het in de hand, die moeten we hebben. Wisten zij veel dat ik van binnen stond te koken.’

Navelstaren in het kwadraat

Het zwaartepunt van Leen Dorsmans werkzaamheden is inmiddels verschoven van het docentschap en onderzoek naar het onderwijsdirecteurschap. ‘Navelstaren in het kwadraat’, aldus de hoogleraar universiteitsgeschiedenis die universiteitsgeschiedenis schrijft. ‘Naar mezelf kijken is eigenlijk wat ik doe.’

Dorsman bestempelt de universiteit als een ingewikkeld instituut, waarin verschillende specialisaties samen één geheel moeten vormen en bezuinigingen hand in hand moeten gaan met kwalitatief goed onderwijs. ‘Het is een uitdaging om te kijken hoe je dingen beter kunt maken en om mee te denken over veranderingen.’ De belangrijkste waarde van de universiteit ligt volgens Dorsman besloten in het  onderwijs. ‘Onderzoek kun je ook doen in een loods in de polder, terwijl onderwijs in een stedelijke omgeving hoort, waar mensen met elkaar spreken en denken.’ Het is een verantwoordelijke taak, die maakt dat hij anno 2013 aan doceren en schrijven nauwelijks toekomt. Dat hij op een andere manier met het onderwijs te maken heeft, ervaart Dorsman als een uitdaging. Transparantie, het toegankelijk maken van wetenschap en de duiding van de universiteit in de maatschappij zijn immers de belangrijke thema’s die bijdragen aan academische vorming. Daar moet je je voor openstellen en onderwijl blijven relativeren. ‘De ideale houding van een wetenschapper is dat hij zichzelf niet serieus neemt, althans, dat hij altijd blijft zoeken en nooit gaat denken: nu ben ik er, nu weet ik het.’ Het spijt hem dat niet elke geschiedenisstudent deze nieuwsgierigheid heeft en moedigt studenten die dat wel hebben dan ook aan die interesse te volgen. Daarbij plaatst hij wel de kanttekening dat het daarnaast ‘belangrijk is om aan arbeidsoriëntatie te doen.’ Dorsman omarmt zijn rol in dit proces en noemt het waardevol om een bijdrage te mogen leveren aan een gezonde infrastructuur, om die balans te kunnen waarborgen.

Deze houding, als schakel in de overdracht van kennis, keert ook terug in zijn wetenschappelijke werk. Hij beaamt dat hij geen grote projecten binnen een ‘groter plan’ heeft gedaan, maar ‘van idee naar idee’ is gegaan. De laatste jaren betekende dat onder andere de ontwikkeling van een bibliografie van de Universiteitsgeschiedenis van Utrecht, als ingang om zijn onderzoeksterrein toegankelijker te maken. Op onze vraag waar hij zich op dit moment, naast zijn onderwijsdirecteurschap, mee bezig houdt wordt vluchtig gewezen naar een op het bureau gelegen proefdruk van een bundel, terwijl er twee boeken uit de kast worden getrokken. Het blijken biografieën te zijn; het eerste gaat over chemicus Ernst Cohen, de ander blijkt Dorsmans proefschrift over historicus G.W. Kernkamp uit 1990 te zijn. Hoewel Dorsman onthult dat het onderwerp pragmatisch ingegeven was – ‘ik gaf veel onderwijs in Utrecht en had geen tijd voor een aanstelling in Amsterdam of Groningen’– bewondert hij Kernkamp als historicus. ‘Hij heeft zich met historiografische vragen bezig gehouden, en dat is precies wat ik ook heb gedaan. Verder hield Kernkamp zich bezig met universiteitsgeschiedenis; ook dat blijkt precies uit te komen. Hij komt zeker over, maar blijkt dit niet te zijn. Ik heb bijvoorbeeld brieven aan zijn tweede vrouw gevonden waaruit blijkt dat hij bij vergaderingen aan zichzelf ging twijfelen. Vragen als: ‘Hebben ze het over mij?’ en ‘Wat moet ik hiermee?’. De overeenkomsten zijn bijna een op een. (…) Er zitten veel dingen in die bij toeval zijn samengekomen. Ik wist ook niet waar ik aan begon; dat het zo is gelopen is wonderlijk.’

Dorsman lijkt zich als universiteitshistoricus te vereenzelvigen met Kernkamps belangstelling voor journalistiek, auteurschap van een driedelige universiteitsgeschiedenis (1936) en brede historische oriëntatie; iets wat hij ook bewondert in zijn mentor en docent Historiografie Kees Offinger. Of hij dan net zo hoopt te worden? ‘Nee. Die brede intellectuele belangstelling en gevarieerde gesprekken die historici van de oude stempel kunnen hebben zijn inspirerend, maar gaan vaak verloren doordat de geleerdheid in het hoofd blijft zitten. Dat wil ik voorkomen.’

Wanneer we vragen in hoeverre Dorsman zichzelf als academicus ziet, vangen we bot. De ideale academicus bestaat niet in Dorsmans beleving. Hij voelt zichzelf nauwelijks een wetenschapper. ‘Ik heb soms het idee dat ik verdwaald ben hier. Dan zit ik met verwondering te kijken waar ik uitgekomen ben.’ Op de vraag of hij dan echt geen academische eigenschappen in zich heeft antwoordt hij bedachtzaam. ‘Ik interesseer me voor het intellectuele debat en ik vind het leuk om iets uit te zoeken. In die zin ben ik wel een wetenschapper.’ Deze ‘intellectuele zelftwijfel’ is illustratief voor Dorsmans instelling. Ondanks dat andere mensen hem vaak zien als de rust zelve die een rechte koers vaart, is die twijfel nog sterk aanwezig in de onderwijsdirecteur. Hij zou het ook niet anders willen.

Toeval en het maken van afwegingen blijken de sleutelingrediënten van Dorsmans loopbaan. Maar de drijvende kracht blijft de passie. Een passie die opgewekt wordt door het werken met het verleden. Van een directe confrontatie met de geschiedenis, in de vorm van een schilderij, manuscript of gebouw, wordt Dorsman nog altijd dolenthousiast. En dat blijft zo. ‘Daarom zijn historici toch de aardigste, beste, leukste mensen die er zijn? Dat je over straat loopt en er nooit een moment is dat je je visueel hoeft te vervelen. Dát is de passie voor het vak, dat je het overal ziet en het altijd interessant kunt maken.’

– Milou Wery en Sef Wijnands

Advertisements