Ongenuanceerde geschiedenis ten behoeve van ‘vooruitgang’

recensie paulaDe geschiedenis van de vooruitgang
Rutger Bregman
De Bezige Bij, € 22,90, 413 p.
ISBN 978 90 234 7 7549

De jonge historicus Rutger Bregman is een echte idealist. Dat komt duidelijk naar voren in zijn geschiedenis van de vooruitgang, waarin hij niet alleen poogt deze ‘wereldgeschiedenis’ te beschrijven, maar waarmee hij ook wil oproepen tot een nieuw vooruitgangsgeloof. De moderne wereld kampt immers met ‘een zingevingsprobleem van kolossale proporties’, aldus Bregman. ‘Ideeën die eens met hoofdletters werden geschreven, Vrijheid, Gelijkheid en Eeuwige Vrede, worden tegenwoordig als gevaarlijke illusies beschouwd’, stelt hij. Om dergelijke ideeën nieuw leven in te blazen is een nieuw vooruitgangsgeloof hard nodig.

Het streven van deze jonge idealist is mooi, maar helaas niet goed uitgewerkt. Als historicus wil hij graag het belang van het verleden voor de actualiteit tonen. Hij wil dus aan de hand van de geschiedenis laten zien ‘waar wij nu staan’ en bepleiten dat we daadwerkelijk een nieuw vooruitgangsgeloof nodig hebben, om zo een alternatief te bieden voor de woekerende nostalgie. Ironisch genoeg stelt Bregman: ‘Nostalgie maakt de geschiedenis tot een statisch en onveranderlijk geheel, tot iets wat het niet is.’ Dat is nu juíst wat Bregman in dit boek doet.

Ten behoeve van zijn pleidooi voor een nieuw vooruitgangsgeloof bespreekt hij zowel ‘de’ geschiedenis van ‘de’ vooruitgang, als de geschiedenis van het vooruitgangsgeloof. Ondanks dat het doel van dit boek niet historisch op zichzelf is (het richt zich daarentegen op het heden en de toekomst), beslaan deze twee historische hoofdstukken, zoals de titel ook suggereert, wel de kern van het boek. Zeer problematisch is dat Bregman het begrip ‘vooruitgang’ hierin echter niet gedegen definieert. Het enige wat hij hierover zegt is: ‘Wat mij betreft is vooruitgang gewoon wat de meesten van ons als vooruitgang beschouwen. Een tweepersoons waterbed is dan te verkiezen boven een bedstee met vlooien, geld maakt – tot op zekere hoogte – gelukkiger dan armoede en mensenrechten zijn te verkiezen boven het recht van de sterkste.’ Hij geeft toe dat dit een nogal naïef uitgangspunt is – en dat is het ook.

Door het begrip vooruitgang niet te definiëren staat zijn hele betoog op losse schroeven. Aan het begrip kent hij namelijk allerlei verschillende betekenissen toe, wat leidt tot vele onduidelijkheden en tegenstrijdigheden. Zo noemt hij zaken als cultuur, wetenschap, instituties en onderwijs tekenen van vooruitgang, net als technologie en moderniteit of zaken als ‘het goede leven’ en menselijk geluk. Bovenal is vooruitgang echter ‘economische groei’ (hoewel hij stelt dat het vooruitgangsgeloof nú verder moet gaan dan dat). In feite beschrijft Bregman vooruitgang als een soort synoniem voor het verloop van de geschiedenis. Dat blijkt uit citaten als: ‘De vooruitgang gaat al 50.000 jaar vrijwel ononderbroken voort’ en ‘in de grote geschiedenis van de vooruitgang is achteruitgang, of uiteindelijk zelfs ondergang, onvermijdelijk’. Deze achteruitgang noemt hij ‘vooruitgangsvallen’, dat zoiets betekent als de onvermijdelijke negatieve gevolgen van de vooruitgang zelf (zoals technologische oorlogvoering, maar ook ‘verhuftering’).

Als (kritische) lezer ben je voortdurend zoekende naar de structuur en de standpunten die Bregman nu eigenlijk onderschrijft. Is Bregman een eurocentrische determinist door te stellen dat vooruitgang ‘een niet te stoppen, voortdenderende trein’ is en te spreken over ‘universele wetten van vooruitgang’, of ziet hij vooruitgang toch als een begrip dat nuance en relativering  behoeft, wanneer hij stelt niet te geloven in algemene wetten van vooruitgang en verval? Ondanks zijn zijdelingse pleidooien voor contingentie en relativisme komt hij toch met name over als een determinist. Volgens hem bestaat er namelijk één geschiedenis van de aarde en de mensheid, waarin hij de vooruitgang als doel- en wetmatigheid beschrijft. Het ‘narcisme van de kleine verschillen’ heeft volgens hem geen zin. De overeenkomsten zijn volgens hem veel interessanter. Bregman kiest er dus bewust voor om één groot verhaal te vertellen, met als gevolg dat hij de geschiedenis en de rol van ‘de vooruitgang’ daarin ongenuanceerd en nauwelijks vanuit verschillende perspectieven beschouwt.

Bregman heeft zich voor dergelijke kritiek echter al bij voorbaat ingedekt. Hij geeft toe dat hij niet kan voldoen aan ‘de strenge eisen van de geschiedwetenschap’. ‘Mijn onderwerp is te groot en mijn kennis te klein voor een dergelijke uiteenzetting.’ Dit boek is dus eigenlijk niet aan historici besteed. Zijn doel is expliciet om een universeel verhaal te vertellen dat in feite alleen maar over de westerse geschiedenis gaat. Hiertoe schotelt hij ons allerlei mooie stellingen voor, zoals ‘vrijhandel in goederen en diensten is een universele menselijke gewoonte; we komen hem in alle culturen en beschavingen tegen’. Bregman kan mooi schrijven, maar een degelijke onderbouwing of uitwerking van zijn stellingen ontbreekt helaas vaak. Waarom zou je vrijhandel een universeel kenmerk van elke beschaving kunnen noemen? Sociologen en economen uit Latijns-Amerika uit de jaren zeventig zouden het hier bijvoorbeeld niet mee eens zijn. Zij stelden juist dat vrijhandel hun continent in een structureel achtergestelde positie had gehouden: de vooruitgang van het Westen had de ‘onderontwikkeling’ van Latijns-Amerika in de hand gewerkt. Daarom predikten zij protectionisme.

Bregman stelt dat hij een verhaal wil vertellen zoals een historicus dat aan de borreltafel doet. Voor de borreltafel is dit boek zeker geschikt, want zijn boek is opgedeeld in wel héél behapbare brokken. Een hoofdstukje telt gemiddeld twee pagina’s, wat voor de enigszins geoefende lezer behoorlijk irritant is. Bregman springt van de hak op de tak, vertelt prachtige verhalen en illustreert deze met talloze cijfers en citaten van wijze blanke mannen. De structuur wordt er echter niet duidelijker op. Zoals hij in zijn inleiding al toegeeft, vergroot het verhalende karakter van zijn boek zijn subjectiviteit, maar hij hoopt ermee aan overtuigingskracht te winnen. Voor velen zal dat het geval zijn, net zoals historicus c.q. grappenmaker Maarten van Rossem het grote publiek blijft vermaken. De zelfkritiek als kenmerk van degelijke wetenschap die Bregman zo looft, heeft hij helaas niet voldoende op zichzelf toegepast. Hoewel hij zich helemaal in het begin en helemaal aan het einde van zijn boek verontschuldigt, doet dat weinig af aan de ongenuanceerde, deterministische, universalistische en bovenal eurocentrische uitspraken. Desondanks heeft hij een mooi streven.

De materiële vorm van vooruitgang is volgens hem namelijk ten dode opgeschreven: we hebben het nu zó goed, dat kan haast niet beter. Er is echter een nieuw vooruitgangsgeloof nodig: God is dood en het vooruitgangsgeloof is doodgebloed, het enige wat rest is nostalgie. De materiële vooruitgang moet daarom worden omgezet in ‘andere, mooiere wegen van vooruitgang’. We hebben weer idealen nodig, een vooruitgangsgeloof zoals die van vroeger tijden (een nogal nostalgisch –door Bregman toegegeven– uitgangspunt). ‘We zijn op een punt gekomen, bij het schijnbare einde van de geschiedenis, waarop het tijd is om de geschiedenis van de vooruitgang nieuw leven in te blazen. … Het verbinden van een utopische passie met de realiteit van alledag is de opdracht van onze tijd. Want een generatie die niet wil dromen, verliest het recht op een betere wereld.’ Dat een betere wereld begint bij dromen en idealen, bij verbeeldingskracht, vind ik een mooie gedachte. Helaas gaat deze verbeeldingskracht echter ten koste van een kritische, genuanceerde historische kijk op ‘vooruitgang’.

– Paula Hendrikx

Advertenties