Erudiete Peter Brown wekt Late Oudheid overtuigend tot leven

jelle recensieThrough the Eye of a Needle
Peter Brown
Princeton University Press, € 29,99, 806 p.
ISBN 978 14 008 4 4531

Toen de huidige paus Franciscus enkele dagen na zijn verkiezing opriep tot een ‘arme kerk voor de armen’ raakte hij een gevoelige kwestie waar christenen al sinds de oudheid mee worstelen. Wat moet de rol van rijkdom binnen de kerk eigenlijk zijn?

De exorbitant rijke Romeinse aristocraat Pontius Meropius Paulinus (ca. 354-431) formuleerde in 394 een radicaal antwoord op die vraag. Hij maakte bekend dat hij al zijn bezit zou verkopen. Een jaar later reisde Paulinus af naar het altaar van St. Felix bij Nola, waar hij een klooster stichtte. Vanaf toen leefde hij niet meer in luxueuze villa’s, maar samen met zijn monniken in donkere kloostercellen. Paulinus gaf zijn comfortabele levensstijl op vanwege zijn geloof. Hij was geïnspireerd door de woorden van Jezus Christus tegen de rijke jongeman: ‘Als je volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zal je een schat in de hemel bezitten. […] het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan’. Paulinus volgde dit gebod van Christus naar de letter. Hij was door het oog van de naald gekropen.

Niet iedereen nam Christus’ advies aan de rijke jongeman even serieus als Paulinus van Nola. De meeste christenen van zijn tijd probeerden ‘een schat in de hemel te plaatsen’ middels veel bescheidenere giften aan de armen of de kerk. Peter Brown, emeritus professor aan Princeton University, beschrijft op magistrale wijze de impact van deze rijkdom op de Latijnse kerk tussen 350 en 550 na Christus.

Brown begint zijn boek met een beschouwing van de samenhang tussen rijkdom en status in het West-Romeinse Rijk van de vierde eeuw. Tegen die achtergrond introduceert hij een belangrijk thema waar hij steeds weer op terugkomt: het contrast tussen het traditionele Romeinse ideaal van het schenken aan de stad, en het nieuwe christelijke ideaal van het plaatsen van een ‘schat in de hemel’ door te geven aan de kerk en de armen.

Brown behandelt dit contrast in de daaropvolgende hoofdstukken, middels een aantal portretten van invloedrijke denkers en schrijvers uit de vierde eeuw. Hierbij wordt elke door Brown behandelde persoon aangevoerd als de vertegenwoordiger van een andere perceptie van rijkdom en het doel van geld. De Romeinse aristocraat Quintus Aurelius Symmachus (ca. 340-ca. 402) representeert bijvoorbeeld de denkbeelden van traditionele, niet-christelijke Romeinen over rijkdom. Hij was bovenal een ‘man van zijn stad’. Symmachus gaf zijn aanzienlijke rijkdommen niet uit aan de armen of de kerk, maar aan magnifieke spelen voor de burgers van het Romeinse volk. Brown zet deze traditionele visie op rijkdom vervolgens af tegen de nieuwe christelijke denkbeelden die in de loop van de vierde eeuw ontstonden. Daartoe behandelt Brown de levens en werken van onder meer Ambrosius van Milaan, Augustinus, Paulinus van Nola en Hiëronymus.

Deze ‘biografische’ benadering leidt niet tot een reeks los van elkaar staande portretten. Elke persoon wordt nadrukkelijk in de context van zijn of haar tijd geplaatst. Dit komt het best naar voren in de drie hoofdstukken over Augustinus (354-430), waarin het leven van Augustinus voordat hij benoemd werd tot bisschop van Hippo wordt behandeld. Brown nodigt de lezer uit ‘[…] to trace the evolution of Augustine’s thought on wealth, religion, and society against the various social contexts in which he found himself in various stages stages of his life’. Brown laat bijvoorbeeld zien hoe Augustinus’ ervaring met de Romeinse patronagesystemen zijn latere denkbeelden over rijkdom en het kloosterleven heeft beïnvloed.

Exemplair voor de wijze waarop Brown zijn gehele verhaal onderbouwt, is dat hij naast de overgeleverde teksten van denkers als Augustinus ook veelvuldig gebruik maakt van archeologische bronnen. Zo laat hij met behulp van een opgegraven inscriptie zien welke denkbeelden er in de Noord-Afrikaanse kerken over rijkdom bestonden. Doordat Brown archeologische en tekstuele bronnen vakkundig aaneenrijgt weet hij een zeer levendig en overtuigend beeld van het Noord-Afrika ten tijde van Augustinus te schetsen. De variëteit en hoeveelheid van de gehanteerde bronnen maakt het immense notenapparaat ook een zeer fijn hulpmiddel voor de student die zich uit interesse of voor een scriptie wil inlezen in de door Brown behandelde periode.

Na een behandeling van Augustinus’ Noord-Afrika en de Pelagiaanse controverse beschouwt Brown de status van de Katholieke kerk in de vijfde eeuw. Hij bekritiseert hier de ‘standard narratives of the triumphant rise of Christianity in the Latin West’, waarin de Katholieke Kerk het ondergaande West-Romeinse Rijk redelijk probleemloos vervangen zou hebben. Brown betoogt met behulp van een indrukwekkende hoeveelheid primaire bronnen en recente literatuur dat de relatie tussen de Katholieke kerk en de Romeinse staat juist nog lang zeer problematisch bleef.

In de twee laatste hoofdstukken van zijn boek beschrijft Brown de veranderende positie van de kerk tegen de achtergrond van het ontstaan van een post-keizerlijke wereld. Brown laat zien dat er in de vijfde en zesde eeuwen geen plotselinge verrijking van de christelijke kerken plaatsvond. In plaats daarvan waren fiscale privileges, geërfd uit de keizertijd, cruciaal voor het behouden van de sociale positie van een kerk. De kerk had een ‘manager’ nodig die deze privileges (en daarmee ook het bezit van de kerk) kon bewaken. Hiermee ontstond de ‘managerial bishop’. Een mooi voorbeeld hiervan is Gregorius van Tours (538-594). Hoewel hij ons bekend is als schrijver, was hij bovenal ook een hardwerkende administrator en een fel verdediger van de kerkelijke rechten.

De kerk had met bisschoppen als Gregorius geleerd hoe ze kon omgaan met haar rijkdom. Vanaf de zesde eeuw waren er dan ook nog maar weinig christelijke denkers die geld geheel afzworen. Regelmatige en kleinere giften waren de manier geworden om ‘rijkdom in de hemel te plaatsen’. De rijken waren definitief door het oog van de naald gekropen.

Brown heeft deze ontwikkeling op een zeer erudiete en goed onderbouwde wijze beschreven. Het is daarom des te prijzenswaardiger dat hij er tegelijkertijd in is geslaagd de wereld van de late oudheid op een overtuigende wijze tot leven te wekken. Through the Eye of the Needle is zowel een prachtig verhaal als een indrukwekkende wetenschappelijke beschouwing. Dat maakt dit boek een grote aanrader voor eenieder die geïnteresseerd is in het christendom van de late oudheid en de vroege middeleeuwen.

– Jelle Wassenaar

Advertenties