Overpeinzingen over Europa

Nederland-als-vervlogen-droomNederland als vervlogen droom
Thijs Kleinpaste
Promotheus / Bert Bakker, € 19,95, 236 p.
ISBN 978 90 351 3945 9

De Nederlandse historicus Niek van Sas schreef in zijn werk De Metamorfose van Nederland dat ‘identiteit altijd wordt gedefinieerd in termen van eigen en vreemd’. Hij bedoelde hiermee dat grenzen die culturele normen identificeren van nature ook een uitsluitend karakter hebben. Door deel te nemen aan een politieke gemeenschap worden mensen gedwongen hun eigen belangen af te zetten tegen die van anderen. Dit leidt tot het ontstaan van een idee van wat eigen is, hetgeen automatisch resulteert in definiëring van wat niet-eigen is.

Op deze manier meent Thijs Kleinpaste in Nederland als vervlogen droom dat de nationalistische tendens in de Nederlandse politiek zich afzet tegen de Europese identiteit. Het nationalisme van de eenentwintigste eeuw en de soevereine staat bieden geen antwoord op de Europese crisis, zo betoogt Kleinpaste, want door de individualisering is Nederland een zielloze samenleving geworden.

Thijs Kleinpaste studeert Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is columnist, politiek commentator voor OBA Live en zetelt namens D66 in de stadsdeelraad van het Amsterdamse stadsdeel Centrum. Met dit boek debuteert Kleinpaste ook als auteur en keert hij zich tegen het nationalisme van de eenentwintigste eeuw. Hij betoogt dat de nieuwe verschijningsvormen van het nationalisme, die de natiestaat zouden moeten verstevigen, juist uit de tijd zijn. Het oplevende nationalisme in de Nederlandse politiek is volgens hem een gevolg van de democratische tekortkomingen van Europa. Kleinpaste stelt dat dit nationalisme anders is dan het nationalisme van de negentiende eeuw, omdat het niet langer een collectieve identiteit benadrukt. Nationalisme is tegenwoordig de schuilkelder voor de veronderstelde Brusselse overheersing.

Met veel intellectuele spierballentaal legt Kleinpaste in het eerste deel van het boek de wortels en de historische betekenis van het nationalisme aan de lezer uit. Al in de eerste twee hoofdstukken worden Kant, Goethe, Rousseau, Voltaire, Herder, Fichte, Hegel, Tocqueville, Berlin en andere grote namen geciteerd en uitgelegd. Kleinpaste doet zijn boek op deze manier te kort, want het hele werk steunt bijna uitsluitend op uitspraken van de grote filosofen der aarde. Dat is op zijn minst vreemd, want van een auteur die stelt dat individualisering zorgt voor uitholling van collectieve identiteit mag worden verwacht dat hij dit dan ook met tenminste één recent sociologisch onderzoek kan aantonen.

Het idee dat een goede verklaring voor het nieuwe nationalisme zou liggen in een uitspraak van Fichte is tamelijk onzalig. Dit neigt namelijk naar een anachronistische weergave van de hedendaagse politiek – een kardinale zonde voor elke geschoolde historicus. Kleinpaste zou gezien zijn achtergrond beter moeten weten. Het heeft er daarom veel van weg dat hij liever zijn belezenheid ten tonele brengt in plaats van werkelijk iets bij te dragen aan het debat over nationalisme.

De auteur doet bovendien graag boude uitspraken die in het luchtledige blijven hangen. Zo stelt hij op pagina 195: ‘Wanneer de Europese Unie als boeman zou verdwijnen, zal blijken dat men zich in de veronderstelde eenheid van de natie vergist heeft.’ Dit is een intellectuele exercitie en vormt natuurlijk geen bewijs voor zijn stelling dat Nederland als soevereine staat een vervlogen droom is. Kleinpaste trekt er echter een gezicht bij alsof het de normaalste zaak van de wereld is om ongefundeerde uitspraken voor waar aan te nemen. Zijn uitspraak lijkt plausibel en ik ben geneigd Kleinpaste gelijk te geven, ware het niet dat hij dit soort uitspraken niet op bronnen baseert.

De kritische lezer ondervindt al snel dat Kleinpaste zich helemaal niet interesseert in het wetenschappelijk onderbouwen van zijn beweringen. In de verantwoording van het boek stelt hij dat zijn essay geen wetenschap is, ‘maar slechts het resultaat van zijn zoektocht naar en twijfels over de tijd waarin wij leven’. Recentelijk is veel onderzoek gedaan naar culturele identiteiten in het kader van de Europese Unie. Deze onderzoeken worden door Kleinpaste echter niet behandeld, waardoor hij de indruk wekt niet op de hoogte zijn van het onderwerp waarover hij schrijft. De keuzes van zijn bronnen licht hij op geen enkel moment toe. Zijn werk heeft daarom ook veel meer de vorm van individuele overpeinzingen dan van wetenschapsbeoefening. Hierdoor laat het lezers die zoeken naar een wetenschappelijke verklaring voor het tegenwoordige nationalisme in de Nederlandse politiek maar weinig voldaan achter.

Dit neemt niet weg dat Kleinpaste interessante gedachten heeft ontwikkeld over de tekortkomingen van Europa en de toekomst van het burgerschap. ‘Loyaliteit ligt niet langer bij de natie, maar bij gelijkdenkende individuen’, meent Kleinpaste. De natie zal altijd blijven bestaan en het daarmee gepaarde nationalisme heeft daarom ook bestaansrecht. ‘Maar de droom die daarbij hoort, de religieuze pretenties die het nationalisme in de negentiende eeuw nog koesterde, bestaat al lang niet meer.’ In die zin verklaart Kleinpaste God opnieuw dood in hoofdstuk acht. ‘Het opkomende nationalisme heeft de vorm van een verwijt’, meent de auteur. Dat is een interessante uitspraak, omdat dit ervoor zorgt dat nationalisme mensen niet meer verenigt. Het heeft daarentegen juist een splijtende werking.

Kleinpaste pleit daarom voor een ‘keizerlijk Europa’ met daarbinnen een ‘radicaal lokalisme’. Mensen voelen zich daarin verbonden met lokale belangen en dit bepaalt de identiteit van mensen. Politieke macht moet dan ook gebaseerd zijn op deze lokale basis. Hierdoor is de natiestaat een schim uit het verleden, maar alleen zo heeft een democratisch Europa kans van slagen.

Nederland als vervlogen droom is een charmant maar pretentieus boekje. Het zet aan tot nadenken over Europa, de positie van de natiestaat, politieke en culturele identiteit en de generatie van Kleinpaste die de wereld zal erven. De beloften op de kaft dat ‘Kleinpaste laat zien waarom nationalisme en de soevereine staat geen antwoord hebben voor de eenentwintigste eeuw, welke bedreigingen dat oplevert en wat eraan gedaan kan worden’, komt Kleinpaste echter niet na. Hij pleit in de Nederlandse politiek voor een radicaal lokalisme, maar werkt niet uit wat de implicaties zijn voor het bestuur, de economie, de politiek, de gevolgen voor de Europese samenwerking, et cetera. De centrale stelling komt daardoor niet overtuigend over.

Tussen alles wat tegenwoordig te lezen is over de Europese Unie en het debat dat gevoerd wordt over de soevereine staat, is Nederland als vervlogen droom toch een aanrader. Hoewel de overpeinzingen van Kleinpaste geen doorslaggevende argumenten geven om het debat mee te winnen, voegt hij hier wel de extra dimensie van de lokale identiteit aan toe. Dit is de belangrijkste identiteit waar mensen waarde aan hechten binnen een Europees imperium dat handelt in randvoorwaarden. Deze toevoeging lijkt me daarom een bijzonder zinvolle bijdrage.

– Eric-Jan Pouw

Advertenties