Gravers en slachtoffers

Beeldbron Raben

Historici doen hun onderzoek in stoffige archieven, waar ze eindeloos boeken, artikelen en andere geschreven bronnen lezen. Het kan ook anders. Schilderijen, sculpturen, films en allerlei andersoortige niet-tekstuele bronnen kunnen juist heel nuttig zijn voor historisch onderzoek. In ‘Beeldspraak’ schrijft een docent van de Universiteit Utrecht over zijn ervaring met onderzoek aan de hand van beeldbronnen. Dr. Remco Raben, gespecialiseerd in Zuid-(Oost-)Aziatische geschiedenis, en met name in de Indonesische dekolonisatie, bijt de spits af. Hij vertelt over een mysterieuze foto die hij op een cd’tje kreeg van een collega uit Indonesië.

Het is wat je noemt een vrolijk portret. Negen mannen en een vrouw poseren voor zo’n gauw geteld honderd schedels, uitgestald op een stellage van zwart doek. Er wordt een beetje gedold met de doodshoofden, er wordt wat gerookt, gemelijk gekeken. Ondanks de macabere decorstukken geen ongezellig tafereel. Wat is deze merkwaardige uitstalling? Op de foto staat ‘Penggali2 dengen korban2 jang terdapet’, oftewel: Gravers en gevonden slachtoffers.

Visuele bronnen in allerlei vormen hebben me altijd beziggehouden, natuurlijk in de eerste plaats omdat het oog ook wat wil, maar als ik er een chique reden voor moet geven, omdat kijken andere vragen oplevert dan lezen. Ik kan dan ook vreselijk jaloers zijn op kunsthistorici die van het kijken hun werk hebben gemaakt. Dat doen ze trouwens wel een beetje anders dan historici, is mijn indruk. Zo heb ik enige tijd geleden een boek gemaakt over de achttiende-eeuwse predikant en tekenaar Jan Brandes die over de wereld zwierf en overal waar hij kwam tekende en schilderde wat hem opviel. Kunsthistorici zouden voor deze nogal dilettantische tekenaar hun neus ophalen, maar historisch gezien is het werk van deze Brandes een unieke bron. De methode die mijn medeauteur en ik hanteerden was even eenvoudig als vermoedelijk typisch ‘historisch’. We keken naar de voorstelling zelf (wat zien we?), naar de achtergronden van de objecten in de tekening (hoe kwamen ze op die plaats terecht?), de plaats van de getekende situatie in de biografie van de tekenaar (wat deed hij daar op dat moment?), de reden voor Brandes om deze specifieke scène te tekenen (wat was zijn agenda?) en de relatie tot andere representaties van het onderwerp (iconografische traditie). Misschien wel het belangrijkste was: welke vragen roept zo’n tekening op? Dat leidde tot een geweldige exercitie in schijnbare nutteloosheid. We hebben van de paar honderd tekeningen elk detail proberen te achterhalen: van het voedsel bij Chinese grafceremonies tot de kleding van slavinnen op Java en van methoden van olifantenjacht op Sri Lanka tot de organisatie van landbouwbedrijven in Zweden.

Ook later heb ik waar het kon beelden in mijn onderzoek betrokken. Zo heb ik de aard van de Indonesische zoektocht naar eigenheid geanalyseerd aan de hand van moderne Indonesische schilderkunst, en onderzoek gedaan naar uiteenlopende zaken zoals de iconografie van ‘boeddha’s voetafdruk’ in achttiende-eeuws Thailand en Japanse propagandafilms uit de Tweede Wereldoorlog. Zo’n Japanse propagandafilm kan bijvoorbeeld buitengewoon nuttig zijn, niet alleen voor een studie van de Japanse propagandamethoden, of de Japanse visie op het bezette Indonesië, maar ook omdat ze de enige bewegende beelden uit die periode geven. Al die bronnen vertellen ons een historisch verhaal, omdat ze, net als geschreven archiefstukken, ons dichter bij de geschiedenis brengen. Dat beelden niet waarheidsgetrouw zouden zijn, kan geen belemmering zijn, want dat zijn geschreven bronnen ook niet. In die zin zijn zeventiende-eeuwse allegorieën net zo’n belangrijke historische bron als vakantiesnapshots uit de twintigste eeuw, of als reisjournalen en overheidskadasters.

Beelden zijn dus buitengewoon belangrijke bronnen voor historici, al blijft het kennelijk moeilijk om ze een serieuze plaats in de historische analyse te geven. Meestal worden ze als voorbeeld gebruikt; veel minder vaak als bron. Dat is eigenlijk raar, als je beseft hoe belangrijk afbeeldingen en representaties zijn voor onze perceptie van de wereld. Foto’s, tekeningen, films en schilderijen zijn te belangrijk om ze alleen aan kunsthistorici over te laten. Die beelden kunnen historici op allerlei manieren helpen. Ze vertellen namelijk vaak een ander soort verhaal dan teksten; ze bieden een andere ingang tot het verleden. Het belangrijkste is misschien wel dat ze ons dwingen om andere vragen te stellen.

Zo ook de foto die de aanleiding voor dit stuk is. De herkomst van de foto is weinig spectaculair. Enkele jaren geleden kreeg ik een CD in handen gedrukt van een bevriende Chinees-Indonesische historicus in Jakarta. Op het schijfje staan vijftig foto’s van graafacties in Oost-Java. We zien allerlei groepen mannen met schoppen in de hand en schedels aan hun voeten. Nadere gegevens ontbraken. Niemand kon vertellen waar de foto’s vandaan kwamen en wat er op gebeurt. We weten niet wie de mensen op de foto zijn; zo te zien zijn zij Indonesiërs van Chinese herkomst. Iemand had een collectie foto’s gedigitaliseerd en op een schijfje gezet, dat in de Chinese gemeenschap in Indonesië circuleerde. Op de CD staat: Makam Cina Blitar 1951. Chinees graf in Blitar, 1951. Blitar is een plaats in Oost-Java. Het is vlak na het einde van de revolutie en we moeten een verklaring ongetwijfeld in die richting zoeken.

Hoe zijn de Chinezen in en rond Blitar aan hun einde gekomen? Een kleine zoektocht bracht iets meer helderheid. Ik trof een aantekening in het Nationaal Archief aan waarin de situatie in Blitar in 1948 wordt geschetst. De stad is dan nog in handen van de Indonesische Republiek. In het stuk beschrijft een gevluchte Chinese inwoner uit Blitar hoe weinig lokale machthebbers zich aantrokken van de centrale regering: ‘Zo kwam vóór de politionele actie het bevel van het centrale gezag, dat bij eventuele Nederlandse actie de veiligheid van lijf en goed van de Chinezen moet worden gewaarborgd, in het bijzonder van hen, die in de gevechtszone woonden. Echter bestond het een hooggeplaatst T.N.I.-officier in een vergadering te Blitar te verkondigen, dat iedere Chinees, die het bevel om te evacueren niet opvolgde en zijn huis niet wilde verlaten, op staande voet mocht worden neergeschoten.’

Zijn de Chinezen wier lijken in 1951 werden opgegraven dan misschien ‘op staande voet’ neergeschoten? Dat is maar de vraag. De CD staat vol foto’s van gravers en slachtoffers; vaak geven de opschriften aan waar de graven werden gevonden – allemaal in kleine dorpen in het achterland van Blitar. De Chinezen zijn dus op het platteland vermoord. Zeker een tiental van dergelijke plaatsen van misdaad treffen we in de foto’s aan. De Chinezen moeten ernaartoe zijn gebracht voordat ze werden geëxecuteerd, of ze kwamen uit de buurt.

Hoewel er over de gebeurtenissen in Blitar geen details bekend zijn, is er veel circumstantial evidence dat ons dichtbij kan brengen. De moorden rond Blitar passen in een patroon dat we van andere plaatsen op Java kennen. Vooral tijdens de zogenoemde politionele acties, de grote Nederlandse offensieven in juli 1947 en december 1948, zijn veel Chinezen het slachtoffer geworden van plundering en moord.

Ook in de omgeving van Blitar woonden veel Chinezen, die in de koloniale tijd een groot deel van de handel voor hun rekening hadden genomen en daarmee het stigma op zich hadden geladen handlangers van de Nederlanders en in elk geval uitbuiters te zijn, en bovendien geen echte Indonesiërs. In de chaos tijdens Nederlandse aanval pasten Indonesische ongeregelde troepen de tactiek van de verschroeide aarde (bumi hangus) toe, waarbij de fabrieken en plantages, maar ook Chinese winkels en huizen werden gesaboteerd, geplunderd en vernield. Vaak werden ook Chinezen van hun bezittingen beroofd en veel van hen werden afgevoerd naar naburige dorpen, soms in lange nachtelijke tochten, totdat ze werden vrijgelaten of vermoord.

De enige andere aanwijzing voor de gebeurtenissen in Blitar is een krantenbericht in het Indonesische dagblad Pelita rakjat. De verslaggever meldt daarin dat hij ‘uit betrouwbare bron’ had vernomen dat in Blitar op de dag dat Nederlandse militairen de stad binnentrokken, op 21 december 1948, een grote plunderpartij plaatsvond, waarbij een groep vrijgelaten gevangenen, samen met strijdgroepen en leden van de Republikeinse mariniers de huizen van Chinezen leegroofden en in brand staken. Enkele Chinezen werden vermoord. In dorpen buiten Blitar – en buiten het gezichtsveld van de Nederlandse troepen – waren honderden mensen gekidnapt en afgevoerd. Het bericht dateert van 26 januari; over het lot van de ontvoerde Chinezen was toen nog niets bekend.2 Dat lot weten we nu en was ook toen in kleine kring natuurlijk ook bekend.

Wat mij ook treft, is dat er na de revolutie kennelijk acties zijn ondernomen om deze misdaden onder de aandacht van de regering en een groter publiek te brengen. De opgravingen werden systematisch verricht en de locaties werden duidelijk op de foto’s aangegeven. Om alleen een fatsoenlijke herbegrafenis ging het duidelijk niet. Hier moesten de misdaden tegen de Chinezen in de schijnwerpers worden gezet. Waar diende de macabere opeenstapeling van schedels anders voor dan om te laten zien welke verschrikkingen de Chinezen tijdens de revolutie hadden doorstaan? Dat moet ongetwijfeld de bedoeling van de opgravers op de foto zijn geweest. Tevergeefs: van schadevergoeding of erkenning is nooit sprake geweest. De schedels zullen zijn herbegraven en de aarde moet alsnog over de hele affaire zijn gegooid. Indonesië had begin jaren vijftig andere zaken aan het hoofd, en Nederland en China trouwens ook. Op deze manier kon deze geschiedenis van geweld in de bijna-vergetelheid raken, de vlam van de herinnering ternauwernood brandend gehouden in een stapeltje foto’s.

– Remco Raben

Advertenties