Promoveren als toekomst

Promovenda Hanneke TakkenHistorisch Tijdschrift Aanzet slaat een nieuwe richting in en daar horen nieuwe rubrieken bij. In ‘Geschiedenis als Toekomst’ vertellen wij het verhaal van jonge historici op de werkvloer. Hoe verging het hen na de studie? Hoe komt hun historische achtergrond terug in hun baan? Door middel van verhalen en ervaringen schetsen we een beeld van wat toekomstige historici te wachten staat na hun studie. Met drs. Hanneke Takken, promovenda en docent aan de universiteit, bijten wij de spits af.

Een promotie is een ambitieuze opmaat naar een carrière in de academische wereld. Er zijn maar weinig promotieplekken en slechts enkele studenten krijgen dus de kans om te promoveren na hun master. Een carrière als promovendus is voor velen onbekend terrein. Daarom geven we in dit nummer een kijkje in de academische keuken.

De jonge promovenda van dit nummer richt zich in haar onderzoek op de manier waarop de Britse, Duitse en Franse kerken de Eerste Wereldoorlog probeerden aan te grijpen om zichzelf weer in het middelpunt van de samenleving te plaatsen. Ze staat hierbij in het bijzonder stil bij de rol van de veldgeestelijken aan het front: de mogelijkheden en onmogelijkheden om hun werk te doen in het spanningsveld tussen de belangen van kerk, staat en leger, de behoeften van de soldaten en de omstandigheden aan het front. Ze brengt in haar zoektocht naar brieven en documenten van aartsbisschoppen en naar dagboeken en tijdschriften van deze veldgeestelijken onder meer tijd door in buitenlandse archieven.

Het onderzoek is onderdeel van een vijfjarig duaal promotietraject dat Hanneke Takken wist te bemachtigen. Dit houdt in dat Takken naast het doen van onderzoek ook doceert. Studenten kunnen de promovenda bijvoorbeeld tegenkomen als werkgroepdocente bij de cursussen Oudheid, Een gekleurde wereld, Onderzoeksseminar I en Onderzoeksseminar III.

Promoveren was voor Takken niet vanaf het begin van haar studie de carrièrestap die ze voor ogen had. Ze rondde eerst de hbo-opleiding journalistiek af voordat ze besloot om nog een verdiepende studie te gaan volgen. Dit werd Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Haar interesse lag bij de Oudheid, maar zij realiseerde zich tijdens haar studie dat hier voor haar waarschijnlijk te weinig toekomstperspectief in zat. Daarom richtte Takken zich op de moderne tijdvakken. Ze raakte in het bijzonder geïnspireerd door de colleges van het vak Ideologieën. Tijdens de Onderzoeksseminars kwam ze er snel achter dat zij papers schrijven en onderzoek doen het leukste onderdeel van de studie vond. Vooral de literatuur van Onderzoeksseminar III heeft een grote invloed gehad op haar onderzoeksonderwerp: ‘de mooiste onderwerpen zitten vaak in de bijzinnen van de verplichte literatuur.’

Onze promovenda had, net zoals vele aankomend masterstudenten, twijfels of een Onderzoeksmaster en de academische wereld wel bij haar pasten. ‘Het academische wereldje kan soms best competitief zijn.’ Daarnaast waren netwerken en zichzelf aanprijzen niet haar sterkste punten. Toch stapte ze na drie maanden van een academische master over naar een Onderzoeksmaster, nadat zij zich gerealiseerd had dat hier haar hart lag. Een vervolg in een promotietraject bleek hierna niet vanzelfsprekend. Bij haar eerste poging viel ze net buiten de boot. Pas een jaar later lukte het Takken om met haar eigen onderzoeksvoorstel haar huidige positie te verkrijgen.

Ervaringen
‘Het leven van een promovendus gaat absoluut niet over rozen. Het is soms een gevecht tegen jezelf, maar als het lukt en je die ene fantastische bron tegenkomt is het geweldig!’ Het is een grote uitdaging; goede motivatie en discipline zijn vereist. Gelukkig laat de praktijk vaak zien dat wanneer je een onderwerp echt interessant vindt, de motivatie en discipline vanzelf komen. Volgens Takken is promoveren echt een verrijking voor je intellectuele en persoonlijke ontwikkeling. Wel is het altijd verstandig om een ‘plan B’ te hebben. Betaalde promotieplaatsen zijn schaars en ook de toekomst van een promovendus is niet zeker in het huidige economische klimaat. Hierdoor moet je je echter niet laten afschrikken; als je het echt graag wilt en je hebt de nodige kwaliteiten in huis, dan is veel mogelijk.

De activiteiten van een promovendus verschillen van dag tot dag. Er moeten ook allerlei praktische zaken geregeld worden; denk aan het beantwoorden van e-mails, het indienen van declaraties en het regelen van archiefbezoeken. De rest van de week wordt besteed wordt aan het doen van onderzoek en het schrijven van het proefschrift. Takken doet dit meestal thuis, waar ze al haar bronnen en literatuur bij elkaar heeft. De flexibiliteit van het onderzoek kan erg prettig zijn, maar het is vaak moeilijk om werk- en privézaken te scheiden. ‘Daarnaast is het soms vervelend dat de hele omgeving denkt dat je de eeuwige student bent.’ Het archiefonderzoek kost veel tijd en de tijdsdruk is vaak hoog, zeker in het buitenland. Gelukkig is Takkens ervaring dat je in goed georganiseerde archieven vaak zeer efficiënt kunt werken en dat je met een beetje geluk foto’s mag maken van het materiaal. Hierdoor kun je sneller bronnen doornemen en thuis het materiaal verder uitwerken.

Een voordeel van het duale promotietraject is de omgang met studenten en de wisselwerking tussen onderzoek en onderwijs. De promovendus kan zijn of haar nieuwe onderzoek integreren in het onderwijs. Daarnaast kunnen de kritische blik en reacties van studenten een verscherpende werking hebben op het onderzoek. Het wordt helemaal interessant wanneer studenten in onderzoeksseminars aan de slag gaan met het specifieke onderzoeksgebied van de promovendus, hoewel er natuurlijk wel grenzen zijn. Lachend voegt ze toe: ‘Ik heb vijf jaar lang geprobeerd studenten bronnen voor mij uit te laten werken – voor mijn karretje te spannen – maar dat is niet gelukt, daar zijn ze dan toch te eigenwijs voor.’

Het uiteindelijke resultaat van een promotieonderzoek verschijnt vaak in boekvorm. Hanneke Takken hoopt haar proefschrift rond augustus 2014 – honderd jaar na het uitbreken van de oorlog – gepubliceerd te hebben. Daarmee hoopt ze een bijdrage te leveren aan het inzicht in de rol van religie en secularisering tijdens de Eerste Wereldoorlog, de ontwikkeling van de relatie tussen kerk en samenleving in deze periode en in het dagelijks werk van de veldgeestelijken die soldaten moesten bijstaan in deze strijd. Deze resultaten kunnen gebruikt worden voor veldgeestelijken die nu nog steeds met de soldaten meegaan naar Irak en Afghanistan. Ze leren namelijk van de problemen en oplossingen uit het verleden: ‘Sommige zaken zijn helemaal niet zoveel anders dan in 1914’.

– Coen Reumer en Joeri Tolboom

Advertenties