De passie van… Erik Nijhof

Erik NijhofErik Nijhof is sociaaleconomisch historicus en heeft zijn hart aan Utrecht verpand. Deze muziekliefhebber weet alles van industrieel erfgoed, maar ook globalisering en de waarde van het verleden voor het heden fascineren hem. Met zijn pensioen in zicht geeft hij de Utrechtse studenten een aantal tips mee. Aanzet praat met Erik Nijhof over zijn carrière, het onderwijs en zijn passie.

Erik Nijhof is een Utrechter pur sang. Hier studeerde, promoveerde en werkte hij ongeveer zijn hele carrière. Na een opleiding bij prominente historici als Hermann von der Dunk en de marxistische hoogleraar Theo van Tijn ging Nijhof zich met name interesseren in de negentiende en twintigste eeuw. Hij raakte betrokken bij een linkse studentenbeweging en ging geloven in de waarde van economische structuren. ‘Ik was een beetje een marxist’, erkent hij met een glimlach. Nu, aan het einde van zijn carrière, heeft hij deze visie wat bijgesteld. Mensen worden nooit volledig gedetermineerd door structuren, maar beïnvloeden deze zelf in hoge mate. Nijhof heeft dan ook een grote interesse voor mens en maatschappij ontwikkeld. ‘Structuren zijn belangrijk, maar minstens zo waardevol is de manier waarop mensen zin geven aan hun bestaan. Het is een wisselwerking tussen mens en maatschappij die zowel in heden als verleden naar voren komt. Dit blijft me fascineren en ik noem mezelf nu een gematigd sociaal-constructivist,’ aldus Nijhof.

Trots op industrieel erfgoed
Wanneer we vragen waar deze sociaaleconomische historicus zoal trots op is in zijn lange carrière, noemt hij allerlei projecten rondom industrieel erfgoed. Dit is duidelijk een belangrijk onderdeel van zijn passie. Wanneer we vragen waar deze, in onze ogen toch wat ongewone, interesse vandaan komt, antwoordt Nijhof lachend: ‘Ik vind het niet zo onlogisch. Ik houd me bezig met de werkende mens, dus ook met de materiële kant van het bestaan.’ Zo bekommerde hij zich om het industriële erfgoed van het bedrijf Werkspoor, een grote metaalverwerkende fabriek die de inwoners van de Utrechtse wijken Zuilen en Ondiep veel werkgelegenheid heeft gebracht. ‘Wij wilden deze gebouwen niet alleen nieuw leven inblazen, maar ze ook dragers van de identiteit van dat gebied maken. Het is belangrijk dat mensen niet vergeten dat de bruisende Utrechtse studentenstad tot 1960 nog het meest industriële karakter van de vier grote steden had.’

Nijhof heeft grote belangstelling voor de werkende mens in zijn sociale en economische leefwereld. Zo promoveerde hij op arbeidsverhoudingen in de Rotterdamse haven en heeft hij onderzoek gedaan naar de mijnwerkers in Limburg. Trots is hij op zijn deelname aan het BINT-project (Bedrijfsleven in Nederland in de Twintigste Eeuw), waarin alle aspecten van het Nederlandse bedrijfsleven werden onderzocht. Zulke projecten zijn volgens hem van onschatbare waarde. ‘Er wordt momenteel te weinig gekeken naar discussies in het verleden, bijvoorbeeld op het gebied van de sociale zekerheid. Men wil steeds opnieuw het wiel uitvinden, maar met een beetje meer historisch besef zou dat niet nodig zijn.’

De waarde van het verleden voor het heden fascineert Nijhof dan ook mateloos. Als uitgesproken alfaliefhebber twijfelde hij op het Gymnasium nog tussen Klassieke Talen, Nederlands en Geschiedenis. Van zijn uiteindelijke keuze voor Geschiedenis heeft hij geen moment spijt gehad. ‘Geschiedenis heeft de duidelijkste verbinding met de maatschappij. De maatschappelijke vraagstukken vind ik interessant. Ik wil niet alleen hun historische wortels, maar ook de vertalingen in het heden begrijpen’, aldus een gepassioneerde Nijhof.

Globalisering en wereldgeschiedenis
Zijn belangstelling voor mens en maatschappij kon Nijhof goed kwijt in het onderwijs, waar hij dagelijks met beide te maken had. Niet alleen de vele projecten, maar ook het lesgeven aan studenten schonken hem veel voldoening. ‘Het is heel erg leuk om te merken dat je studenten echt iets hebt meegegeven. Zo wil ik studenten laten inzien dat ze behalve kwalitatieve ook kwantitatieve bronnen kunnen gebruiken en begrijpen, zonder de statistische methode erachter zelf te beheersen.’ Met zijn pensioen in zicht bekommert hij zich ook om de aankomende carrière van zijn studenten. ‘Ga eens wat stages doen voordat je stopt met studeren. Kijk eens een beetje rond en zie wat er allemaal mogelijk is.’ De brede aanpak die de afdeling Sociaaleconomische Geschiedenis geleidelijk heeft ontwikkeld bevalt hem zeer. ‘Van Tijn was nog een stuk parochialer. Hij was erg gericht op Nederland en het uitdragen van zijn specifieke marxistische visie. Nu hanteert de afdeling een veel bredere invalshoek, wordt er meer gebruik gemaakt van kwantitatieve methoden en is er meer erkenning voor de waarde van dit vakgebied.’

Deze brede aanpak komt ook tot uiting in de door Nijhof gedoceerde cursus ‘Globalisering’. Hier leert hij zijn studenten over de historisch gegroeide, mondiale en wederzijdse beïnvloeding van verschillende delen van de wereldeconomie. De nauwe samenhang tussen landen die ver uit elkaar liggen geeft niet alleen de econoom stof tot nadenken. Dit brede perspectief moet volgens Nijhof ook aan historici worden meegegeven. Hij is dan ook blij om te zien dat in Utrecht die mogelijkheid is gecreëerd.

Erik Nijhof spreekt verder met trots over zijn werkzaamheden voor het Masterprogramma Cultureel Erfgoed. Hier heeft hij in een bijzonder prettige samenwerking met Hendrik Henrichs veel voor zijn studenten kunnen betekenen. ‘We boden hen veel excursies aan en het ontbrak onze stagiaires nooit aan begeleiding. De studenten konden daardoor heel veel nuttige contacten in het ‘veld’ leggen.’ Zo bereidde Nijhof zijn masterstudenten voor op een toekomstige baan bij het Rijksmuseum, het Openluchtmuseum, diverse gemeenten en overige lokale musea. Hij is daarnaast vol lof over het wetenschappelijke gehalte van deze opleiding. ‘Er werd aan de hand van huidige erfgoedpraktijken een duidelijke reflectie op het verleden gegeven,’ aldus Nijhof, ‘hierdoor werd het een zeer inspirerende activiteit.’ Erik Nijhof heeft verder goede herinneringen aan veel leuke studenten die voor deze Master vanuit het hele land naar Utrecht kwamen. ‘Cultureel erfgoed heeft veel overlap met het maatschappelijk veld. Ik ben daarom blij dat ik mijn studenten hierin van dienst kon zijn.’

Klassieke muziek en afscheid nemen
Op onze vraag waar we Erik Nijhof om drie uur ’s nachts voor wakker mogen maken, antwoordt hij: ‘Vaak ben ik dan nog wakker, omdat ik tot laat doorwerk. Ik ben een echt nachtmens.’ Maar zijn werk is niet zijn enige passie: hij heeft ook een meer verborgen voorliefde voor klassieke muziek. Niet alleen het luisteren naar muziek trekt zijn belangstelling. ‘Als ik met pensioen ben, zie ik mezelf nog wel een keyboard en zo’n computer kopen om daar muziek mee te leren maken.’

Nijhof spreekt met trots over zijn baan aan de universiteit, waar hij altijd met veel plezier heeft gewerkt. Hij is nog steeds betrokken bij de Commissie ‘Financiën & Huisvesting’ van de Faculteitsraad, waar hij nu nog voorzitter van is. Hij zal het wel en wee van de faculteit ook de komende tijd blijven volgen. ‘In dat opzicht neem ik met enige zorg afscheid’, onderkent Nijhof. ‘De werkdruk op docenten wordt alsmaar groter en ook de studenten lijden daaronder. Daarnaast ervaart de faculteit een hoge uitval van studenten en wordt het daarop afgerekend.’ Toch maakt hij zich niet al te veel zorgen: ‘De docenten hier zijn heel gewetensvol bij het handhaven van de kwaliteit.’ Nijhof neemt zo in september dit jaar op een positieve manier afscheid van de universiteit waar hij jaren heeft gewerkt. ‘Ik heb goede herinneringen aan mijn tijd bij het departement. De sfeer was altijd goed.’ Met dit in zijn achterhoofd laat Erik Nijhof zijn carrière binnenkort achter in het verleden en stapt hij met zijn passie voor mens, maatschappij en muziek de toekomst in.

– Paula Hendrikx en Wessel Toonen

Advertisements