De passie van… Joes Segal

‘Wie in de afgelopen vijf jaar begonnen is aan een opleiding geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, heeft in zijn eerste jaar kennis gemaakt met het vak ‘Wereldgeschiedenis’, een initiatief van Joes Segal. Als we zijn medewerkersprofiel mogen geloven, houdt Segal er zelf een al even universele instelling op na en is hij een alleseter op het gebied van internationale cultuur- en kunstgeschiedenis. Net terug van een onderzoeksproject in Potsdam vragen we hem naar zijn passie voor cultuurhistorie, doceren en obscure Duitse kunstarchieven.’

‘Het idee voor Wereldgeschiedenis is bij mij begonnen vanuit de overtuiging dat er in het eerste jaar niet alleen maar westerse geschiedenis moest zitten.’ Na raadplegen van zowel docenten als stu­denten, bleek het merendeel al gauw positief. Slechts een aantal docenten vroegmoderne tijd, wiens vak werd in­gekort om ruimte te creëren voor we­reldgeschiedenis, vonden het initiatief ‘erg modieus’. Lachend: ‘Ik was toen opleidingscoördinator en heb een beetje misbruik gemaakt van mijn positie.’

Het vak was een experiment, maar Segal ziet dat er steeds meer aandacht komt voor een mondiaal perspectief binnen historisch onderwijs en onder­zoek. ‘In het onderwijs vind ik het leuk om te experimenteren met bredere ver­banden’, legt Segal uit. In het onderzoek zoekt hij echter meer de verdieping op door naar eigen zeggen ‘diepteboringen’ te doen. Segal is van mening dat de combinatie van onderzoek en onderwijs heel belangrijk is. ‘Als je alleen één van de twee zou doen, zou je echt wat mis­sen,’ stelt hij. ‘Het werkt bevruchtend op elkaar en je komt ook altijd weer op nieuwe ideeën door dingen te vertellen, en vragen en reacties van studenten te horen. Ik vind dat ontzettend leuk en inspirerend.’

Inspiratie doet Segal ook op buiten de universiteit. Regelmatig verruilt hij zijn werkkamer in Utrecht voor een congres of verblijf in het buitenland. Vorig jaar verzorgde hij gastlezingen over politiek en herinnering in Ne­derland en Duitsland, in zowel het Engels als in het Duits, als gastdocent aan de East China Normal University te Shanghai. Segal verbleef ook langere tijd in Los Angeles waar hij werkte voor het Wende Museum, een materieel ar­chief dat zich specialiseert in collecties uit Oost-Europa ten tijde van de Koude Oorlog. Daarnaast doceerde hij aan UCLA, en de afgelopen maanden was hij in Potsdam voor onderzoek.

Over de verschillen tussen het Ne­derlandse en het Amerikaanse systeem zegt Segal: ‘Bij ons gaat het erom of je een cursus haalt of niet, en hoe je hem haalt doet er niet zoveel toe. Maar in Amerika haalt bijna iedereen de cursus­sen en daar gaat het er juist wel om hoe je ze haalt. Dat bepaalt weer wat voor beurzen je kunt krijgen en wat voor gra­duate schools of masters je kunt doen.’ Het viel hem daarbij op dat de niveau­verschillen ook veel groter waren dan bij Utrechtse studenten. ‘Net als hier heb je ook daar een paar briljante stu­denten die heel hard werken,’ legt Segal uit. ‘Maar,’ vervolgt hij, ‘er waren ook mensen van wie nota bene ík het Engels moest corrigeren.’

Hoewel het Amerikaanse systeem in veel opzichten verschilt van het Ne­derlandse systeem, merkt Segal wel dat de inrichting van studies in Nederland steeds meer naar het Amerikaanse mo­del neigt. ‘De universiteit wil steeds meer faciliteren dat er TCS- en LAS-achtige studiepaden komen. De disci­pline geschiedenis staat nu ter discussie. Moet dat niet opgaan in een brede cul­tuurstudie, moeten studenten niet juist de kans krijgen om zich heel breed te oriënteren? Want ook dat is het Ame­rikaanse model,’ legt hij uit. ‘Je kunt in Amerika een major studeren, maar je moet als student geschiedenis ook ten­minste een vak binnen de bèta en gam­ma volgen. Op UCLA had ik zelf ook studenten astronomie en scheikunde in mijn groep, wat heel grappig, maar ook een beetje lastig is omdat die vaak geen enkele basis hebben op cultuurgebied. Het was overigens wel heel leuk, ze stel­len bijvoorbeeld vragen die je helemaal niet gewend bent.’

Zelf overwoog Segal ook ooit aan een studie sterrenkunde te beginnen. ‘Ik heb na mijn eindexamen eerst nog een jaar baantjes gehad en ben in dat jaar langzaam van gedachten veranderd,’ vertelt hij. ‘Ik was ook altijd al erg geïn­teresseerd in geschiedenis, kunst en filo­sofie, en toen ik me in dat jaar wat beter verdiepte in de studie sterrenkunde, zag ik dat de eerste drie jaar vrijwel exclusief uit wiskunde bestaat.’ Lachend: ‘Nou was ik wel goed in wiskunde, maar niet briljant, en dat had ook niet mijn pas­sie. Dus toen werd het kunstgeschiede­nis.’

Naast kunstgeschiedenis volgde Se­gal ook vakken filosofie en geschiedenis. ‘Ik ben nu historicus, maar heb daar­naast een boekenclubje met studenten waarin we allemaal filosofie boeken le­zen,’ vertelt hij. Segal verdiept zich nog altijd graag in verschillende disciplines binnen het cultureel onderzoek en ziet ook veel overlap daartussen. ‘Die gren­zen zijn volstrekt kunstmatig. Als je alleen al kijkt naar de taakverdeling tussen kunstge­schiedenis en ge­schiedenis, dan is het wel een beetje verbeterd in de af­gelopen decennia, maar er zijn nog steeds hele interessante problemen waar beide disciplines zich niet aan wagen, omdat ze denken dat de ander het misschien beter kan.’ Ge­amuseerd: ‘Tja, ik doe er mijn voordeel mee.’

Segal werkt veelal op het snijvlak van kunstgeschiedenis en geschiedenis; zo promoveerde hij in 1997 op zijn proef­schrift Krieg als Erlösung. Die deutschen Kunstdebatten 1910-1918, dat hij vol­ledig in het Duits schreef en waarvoor hij onderzoek deed naar de Duitse cul­tuurdebatten rond de Eerste Wereld­oorlog. Nu, vijftien jaar later, verdiept hij zich opnieuw in Duitse kunst. Zijn ogen beginnen te glimmen wanneer we hem vragen naar zijn verblijf in Pots­dam, waar hij op uitnodiging van het Zentrum für Zeithistorische Forschung een nieuw onderzoeksproject voorbe­reidde. ‘Mijn onderzoek gaat over vier omslagmomenten in de Duitse geschie­denis van de twintigste eeuw: in 1914, 1933, 1945 en 1989. Ik wil kijken hoe die politieke breukmomenten van in­vloed zijn geweest op het denken over kunst, maar ook wat voor continuïtei­ten achter die breukpunten liggen in hoe artistieke bewegingen worden geas­socieerd met bepaalde politieke denk­beelden of ideologieën.’ De wisselwer­king tussen politiek en kunst leidde in het verleden tot afwijzing van bepaalde kunst en kunstenaars die niet in harmo­nie met de staat en haar idealen waren: politieke keerpunten vallen vaak samen met omkeringen in de opvatting wat ‘goede’ kunst was, die de staat repre­senteerde.

Typerend hier­voor is zijn eigen ontdekking van het kunstarchief in Beeskow, voorma­lig Oost-Duitsland. Hierin is alle kunst van de noorde­lijke deelstaten van Oost-Duitsland die ooit in opdracht is gemaakt van de DDR verzameld, ‘in rijen dik tegen de muren. Niemand wil dit meer zien, het is een representa­tie geworden van een totalitair regime: naar mijn idee een volledig verkeerd beeld. Kunst was juist een van de wei­nige domeinen waarin je een beetje je eigen gang kon gaan. Er zijn allerlei voorbeelden van schilderijen daar die heel erg kritisch en heel erg origineel zijn.’ Om de gangbare misvattingen rond deze kunst te verhelpen, probeert Segal nu voor volgend jaar een interna­tionaal congres te organiseren, waarop deze Oost-Duitse kunst in Oost-Euro­pees perspectief worden gezet.

Hoewel het voorgaande misschien anders doet vermoeden, heeft Segal zeker wel vrije tijd. Ook deze besteedt hij echter aan zijn passie voor cultuur en geschiedenis. Samen met Joris van Eijnatten, Ed Jonker en Willemijn Ruberg is hij druk in de weer met het opzetten van het tijdschrift ‘History, Culture and Modernity’. Segal: ‘Het is ontstaan uit het idee dat er weinig in­ternationale tijdschriften op het gebied van cultuurgeschiedenis zijn, die én aandacht besteden aan de moderne tijd, én een niet-expliciet Westers perspectief hanteren. Dus ja, wij hopen dat het een gat in de markt is.’ Het eerste nummer staat gepland voor begin volgend jaar, en met de ontvangen subsidie is het de bedoeling dat het tijdschrift, in elk ge­val de komende zes jaar, elke drie maan­den zal verschijnen. Iets om in de gaten te houden dus.

~Marcella Klinker en Anthe de Weerd

Advertenties