Lynn Hunt: Leren hoe te leren.

Lynn Hunt is één van de meest toonaangevende cultuurhistorici sinds die discipline in de jaren tachtig de geschiedwetenschap ging domineren. Zij schreef over uiteenlopende onderwerpen: van de Franse Revolutie en de geschiedenis van de mensenrechten tot theoretische verhandelingen over de cultural turn. In Los Angeles sprak ik met haar over haar leven als historica, en over de toekomst van de geschiedwetenschap en ‘haar’ cultuurgeschiedenis daarbinnen. ‘De cultuurgeschiedenis moet weer kritisch worden’.

De deur staat open, uit de kamer klinkt haast onhoorbaar zachte vioolmuziek. Lynn Hunt zit achter haar computer, gekleed in een comfortabele zwarte fleece trui. Haar werkkamer bevindt zich op de zesde verdieping van Bunche Hall, het gebouw waarin het departement Geschiedenis van de University of California, Los Angeles (UCLA) is gehuisvest. Deze stenen moloch steekt wat onwennig af tegen een campus die de bezoeker het gevoel geeft op de Universiteit van Bologna te zijn beland; afgezien van het Big Ben motief dan, dat bij tijd en wijle uit luidsprekers schalt.

Lynn Hunt werd geboren in Panama, maar groeide op in St. Paul, Minnesota. Met een Duitssprekende grootvader uit Oekraïne en een grootmoeder afkomstig uit een Duits-Amerikaanse gemeenschap, koos zij als student aan Carleton College aanvankelijk voor de richting Duitse taal. Toch maakte zij na een master en promotie aan de Universiteit van Stanfort naam als connaisseur van de Franse Revolutie. Het bracht haar naar de universiteiten van Pennsylvania en Berkeley, en sinds 1999 in Los Angeles waar zij de leerstoel Moderne Europese Geschiedenis bekleedt. Daarnaast was zij te gast aan universiteiten in Utrecht, Amsterdam, Parijs en Beijing, en was zij in 2002 president van de prestigieuze American Historical Association.

Waarom besloot u geschiedenis te gaan studeren en daar ook in verder te gaan?
‘Zoals iedereen van mijn generatie, althans in de Verenigde Staten, was ik aanvankelijk geïnteresseerd in de opkomst van de Nazi’s. Maar geleidelijk verschoof mijn interesse naar de Franse geschiedenis. Dit gebeurde mede door de colleges van Carl Wiener, een jonge en enthousiaste docent aan Carleton College die de Franse Revolutie echt tot leven bracht. Tijdens zijn college over de val van Robespierre liep hij al zwaaiend met een zwaard over het podium heen en weer. Hij wist mij te winnen voor de Franse geschiedenis. En, al was ik nog nooit in Europa geweest, het trok mij meer om naar Parijs te gaan dan naar Bonn, de toenmalige hoofdstad van West-Duitsland.’

Eenmaal in Parijs belandde Hunt in het bruisende, intellectuele Franse leven van de jaren zeventig. Beïnvloed door denkers als Jacques Derrida en Michel Foucault richtte Hunt zich op de revolutie die na 1789 plaatsvond in het denken van de mensen, en karakteriseerde zichzelf door een brede blik op het verleden. Zo richtte zij zich in Politics, culture, and class in the French Revolution (1984), het boek dat haar internationale faam bezorgde, op de politiek in vieringen en symbolen. Deze brede oriëntatie keerde terug in haar werk over geschiedtheorie, en in de geschiedenissen van onder meer erotiek en gender, tijd en mensenrechten die zouden volgen.

Veel van uw collega’s specialiseren zich na verloop van tijd. Bij u ging dat andersom, en volgde op de Franse Revolutie een veelvoud aan onderwerpen. Hoe verklaart u deze diversiteit?
‘In september 1970 kwam ik voor het eerst naar Parijs. Die periode was ook het hoogtepunt van de Franse theoretici. Ik ging naar de inaugurele rede van Foucault, maar denk ook aan Derrida, Lacan, Barthes, Lévi-Strauss: er gebeurde zoveel in het Franse intellectuele leven! Als je je met Franse geschiedenis bezighield en lette op wat er om je heen gebeurde, zoals ik deed, moest je wel met die bredere vraagstukken aan de slag. Foucault, bijvoorbeeld, had het over de betekenis van de Westerse geschiedenis en over wat de geschiedenis van seksualiteit of de gevangenis ons hierover kon vertellen. Voor mij was het mooi dat Foucault over één onderwerp, dat binnen Frankrijk erg gevoelig lag, niet schreef: de Franse Revolutie.’

‘Naar mijn idee was juist de Franse Revolutie bij uitstek geschikt voor het aan de orde stellen van die bredere vraagstukken, omdat de aard van de Revolutie precies deze vraagstukken voortbracht. De vraag of je kan breken met het verleden leidde tot vraagstukken over tijd, de veranderende rol van vrouwen leidde tot vraagstukken over gender en de familie, de politieke impact leidde tot een latere botsing tussen marxistische en antimarxistische interpretaties.’

‘Andere invloeden kwamen uit marxistische hoek. Vooral dat wat daaruit voortkwam, zoals het werk van de Italiaan Antonio Gramsci en ook E.P. Thompson, een held uit mijn studententijd. Ook kun je in de manier waarop ik de Revolutie als een soort collectieve biografie beschreef, de Amerikaanse socioloog Charles Tilly en diens sociologie van de politiek herkennen. Wat ik wilde weten was, wie de mensen waren die de Revolutie maakten. Waar zij werkten, woonden, en met wie zij omgingen. Maar waarin ik misschien verschilde van andere Amerikaanse historici was dat ik zo geïnteresseerd was in het Franse intellectuele leven in zijn totaliteit. Ik ging niet de archieven in als Foucault college gaf op het Collège de France. Maar ook wat Franse historici als Michel Vovelle en François Furet over de Revolutie zelf schreven, nam ik mee.’

‘Wat geschiedenis zo spannend maakt, zijn al die verwijzingen naar bredere, filosofische vraagstukken over het menselijk handelen. Dat is iets dat ik ook steeds op mijn studenten probeer over te brengen.’

In de jaren zestig en zeventig, toen Lynn Hunt studeerde, openden universiteiten hun deuren voor bredere groepen van de bevolking. Het waren ook de jaren van Woodstock en van de studentenprotesten in Berkeley, Parijs, Amsterdam en elders, die zich keerden tegen het gezag en inspraak eisten binnen de universiteiten.

Hebben de roerige jaren zestig en zeventig, waarin u als historica werd gevormd, ook uw denken en schrijven beïnvloed?
‘Ik studeerde in de jaren zestig, wat één van de grote keerpunten in het Amerikaanse en misschien wel het hele Westerse leven was. Wat mij daarom zo interesseerde was de vraag hoe mensen zo snel van gedachten konden veranderen. De vrouwenrechtenbeweging, de homobeweging: hoe konden mensen die hun hele leven hetzelfde hadden gedacht daar zo snel in omslaan? In feite was dat wat ook tijdens de Franse Revolutie gebeurde. In 1789 verwachtte niemand een republiek zonder koning, terwijl die republiek er in 1793 toch kwam.’

‘Aanvankelijk richtte ik mij op de fanatieke sociale interactie binnen kleine groepen, zoals de meetings die mensen in 1789 vaak bijeenbrachten. Dit werd binnen twintigste-eeuwse feministische groepen ook wel ‘bewustmaking’ genoemd.’

‘Maar geleidelijk ging ik mij meer bezighouden met de media en met hun invloed op de beeldvorming van mensen. De ontwikkelingen in het Amerikaanse medialandschap sinds de jaren zestig wekten mijn interesse: het feit dat de televisie mensen beïnvloedde in wat wel en niet acceptabel is. Daardoor ging ik mij verdiepen in het theater en de roman, en in visualisaties op schilderijen en zegels. Wat je daarin ziet zijn bovendien niet alleen representaties van nieuwe opvattingen en ideeën, maar ook middelen om simpelweg nieuwe vormen uit te proberen. Wie moest een Franse republikein bijvoorbeeld op een zegel zetten om de nieuwe Republiek te symboliseren als dat niet langer de koning mocht zijn?’

Deze verbreding van het historisch bronnenmateriaal kenmerkte de cultuurgeschiedenis zoals die in de jaren zeventig vorm kreeg. Cultuurhistorici beschouwden de geschiedenis voortaan als een doorlopend debat waarin het mensen zelf waren geweest die betekenissen verbonden aan de wereld waarin zij leefden. Daarmee brak het genre met politieke en sociologische modellen en processen die de geschiedschrijving lang hadden gedomineerd. Nieuw was ook de aandacht die nu uitging naar voorheen genegeerde groepen als vrouwen, arbeiders en etnische minderheden. De gewone man kreeg zo een stem en een verleden. Niet alleen verbreedde de cultuurgeschiedenis het vakgebied; het werd zelfs een van de meest populaire disciplines binnen de geschiedschrijving. Lynn Hunt verwierf daarbinnen een toonaangevende positie, onder meer door haar onderzoek naar de politieke cultuur van de Franse Revolutie en publicaties als The New Cultural History (1989), een bundel onder haar redactie die richting aan de cultuurgeschiedenis wilde geven.

U heeft een toonaangevende rol gespeeld binnen de hedendaagse cultuurgeschiedenis. Vaak wordt gezegd dat het oneindige aantal onderwerpen van deze discipline als kracht en als zwakte gezien kan worden. Hoe staat het ervoor?
‘De cultuurgeschiedenis begon als een kritiek op de sociale en politieke geschiedenis, en was daarin erg succesvol. Het was een reactie op de aanname dat de geschiedenis te verklaren valt enkel vanuit rigide sociale afkomst of politieke processen. Cultuurhistorici lieten zien dat zulke groepen culturele constructies waren. Als benadering is de cultuurgeschiedenis, met een haast oneindige hoeveelheid bronnenmateriaal om het verleden te bestuderen, dan ook verre van uitgeput.’

‘Als kritiek was het dus erg succesvol, maar als centrale discipline binnen het vakgebied is het dat minder. Het probleem is dat de cultuurgeschiedenis een verzameling van onderwerpen is geworden die elk verband met de big picture verloor. Als dat zo blijft zal de cultuurgeschiedenis, denk ik, aan belang afnemen. Want als alles cultureel is, is het betekenisloos en verliest het elke kritische noot.’

Wat zou er moeten gebeuren?
‘Ik denk dat we ons op een kruispunt bevinden. Cultuurhistorici stellen zich te zeer tevreden met deze beperkte onderwerpen, terwijl zij zich een bredere blik zouden moeten aanmeten. Wat de cultuurgeschiedenis nodig heeft is daarom meer samenhang, een metanarratief.’

‘Mijn vrees is namelijk dat de cultuurgeschiedenis voorbij gestreefd wordt door de interesse voor de globalisering, waarbij de geschiedenis wordt verklaard als continu proces van integratie. In de Verenigde Staten is dit steeds meer het onderwerp waar de aandacht naar uitgaat. Als de cultuurgeschiedenis hier niet op reageert zullen we terugkeren naar een geschiedschrijving gedomineerd door politieke en economische verklaringen.’

‘Zelf zie ik globalisering namelijk niet per definitie als iets dat gaande is sinds het begin van de mensheid, zoals velen ons willen doen geloven. Cultuurhistorici zouden zich hier moeten afvragen of dit inderdaad de richting en het ideaal is, en hoe we hier vervolgens over na moeten denken. De cultuurgeschiedenis moet weer kritisch worden, en de geschiedenis van globalisering biedt nu die mogelijkheid.’

Aan de UCLA loopt de lezingenreeks The Future of History en ook elders worden soortgelijke vragen continu gesteld. Waarom zouden wij eigenlijk door moeten gaan met de geschiedenis te bestuderen? Hoe ziet de toekomst eruit?
‘De belangrijkste vraag lijkt mij: waartoe dient geschiedenis, en waarom doen we daar onderzoek naar? Ik denk dat de geschiedschrijving meerdere doelen dient. Allereerst beantwoordt de geschiedschrijving al sinds haar professionalisering in de negentiende eeuw aan vragen over nationale identiteit en burgerschap. Maar daar blijft het niet bij. Want een doel is nu ook mensen in de wereld te plaatsen en de verhoudingen van groepen en naties binnen bredere, mondiale kaders te beschrijven. Een dergelijke ‘wereldgeschiedenis’ zal dan niet zozeer een geschiedenis van de ‘wereld’ worden, als wel een geschiedenis van de onderlinge verhouding van landen en gebieden met andere mondiale fenomenen. In Europa zie je nu een soort tussenvorm, waar mensen Europese geschiedenis beginnen te schrijven als de geschiedenis van meer dan één land; zoals wij in Amerika eigenlijk altijd naar Europa hebben gekeken. In de VS zou er daarentegen meer interesse moeten zijn in de geschiedenis van Zuid-Amerika, een onderwerp dat om onbegrijpelijke redenen totaal afwezig is: het zijn onze buren! We delen veel vraagstukken, maar die worden nooit samen besproken.’

‘Maar de geschiedschrijving heeft ook een filosofische, ethische en politieke component. Enerzijds om te begrijpen waarom we dingen doen zoals we ze doen; wie in een democratie leeft moet bijvoorbeeld iets weten over de herkomst daarvan. Anderzijds helpt de geschiedenis ons buiten onze eigen wereld en realiteit te denken, zoals bijvoorbeeld ook literatuur dat kan. Geschiedenis maakt je daarmee tot een outsider, maar tegelijkertijd ook tot een insider in een andere tijd of ruimte; en studenten zijn daar erg in geïnteresseerd. Zij willen weten hoe het was om te leven in het Oude Griekenland of de Middeleeuwen. Dit is een vaardigheid die de geschiedschrijving kan aanleren, en die ervoor zorgt dat wij het vreemde in onze eigen wereld niet zomaar vreemd vinden. Het zet aan tot nadenken waar bepaalde culturele conflicten over gaan. Dit is erg belangrijk nu bijvoorbeeld Westerse landen met grote groepen migranten te maken hebben. Daarom is het in Nederland nu zaak dat iedereen wat van de geschiedenis van de Islam afweet, zodat mensen daar geen idiote en ongeïnformeerde dingen over zeggen. Wij in Noord-Amerika zouden het Mexicaanse verleden beter moeten kennen omdat er nu eenmaal veel mensen in Amerika uit Mexico komen.’

U spreekt van de ethische plichten van de historicus. Kan deze ethische betrokkenheid ook niet averechts werken? Veel mensen keren zich bijvoorbeeld af van moralisering en een onbegrensd begrip voor andersdenkenden.
‘Dat is inderdaad altijd de moeilijkheid. In de jaren zeventig en tachtig woedde hier het debat of sociaalhistorici het imago van Amerika schaadden door zich zo te richten op de geschiedenissen van slavernij, en op de slechte behandeling van vrouwen en de indianen in dit land. Dat debat is nu voorbij!’

‘Historici veroorzaakten toen misschien opschudding, maar dat was niet verkeerd. De oorspronkelijke bewoners van Amerika, de bijdragen van slaven in bijvoorbeeld de Burgeroorlog: ook zij moeten onderdeel uitmaken van het nationale verleden. Niemand denkt nu nog dat het benoemen van deze negatieve kant van ons verleden de natie ten gronde richt. Integendeel, de erkenning van wat er in het verleden gebeurd is, zorgt juist voor een beter nationaal verhaal.’

Dus historici moeten actief het publieke debat stimuleren?
‘Absoluut. De historicus moet de nationale geschiedenis vertellen, maar bovenal de waarheid over die nationale geschiedenis zien te achterhalen. Ook als die waarheid oncomfortabel is. Historici hebben daarom nog altijd een belangrijke politieke en ethische rol te vervullen binnen de geschiedenis van de natie.’ In uw woorden klinkt het ideaal van de geëngageerde academicus zoals dat bestond in de jaren zestig en zeventig, toen u studeerde. Hoe verschilt die tijd van het heden? ‘Het grote verschil is dat toen ik naar de universiteit ging, niemand die studeerde zich zorgen maakte om het vinden van werk. Dit veranderde al snel, maar niemand had dat zien aankomen.’

‘Toch geloof ik nog altijd heilig in de enorme impact van educatie op iemands kijk op de wereld. Daarom zouden we eens moeten stoppen met ons blind te staren op direct nut. Want het is niet zozeer belangrijk wat we leren, maar in plaats daarvan te leren hoe te leren. We moeten leren om creatief te zijn in de manier waarop je leert, en in ons geval naar het verleden kijkt, in plaats van iemand een omlijnd corpus aan kennis bij te brengen. Specifieke vaardigheden zullen toch altijd weer veranderen.’

‘Leren moet daarom ook leuk zijn. Het moet enthousiasmeren. Het moet iets zijn waarvan je ziet dat het ethisch, politiek, filosofisch of esthetisch uitdagend is: want het is spannend om wiskundige vergelijkingen op te kunnen lossen, of de grenzen van wetenschappelijke kennis te mogen verkennen. Helaas sneeuwt juist die opwinding onder in nut en baangerichtheid.’

Zijn er op dit vlak verschillen tussen de Verenigde Staten en Nederland die in het oog springen?
‘Ons voordeel hier in UCLA zijn altijd onze middelen geweest. Neem de bibliotheek, waarin je rond kan blijven lopen en de meest fantastische dingen vindt. Het internet zal dit voordeel doen verminderen, net als veel andere onderlinge verschillen verder zullen afnemen. Het voordeel dat jullie in Nederland hebben is dat het academisch leven in een stad als Utrecht gewoonweg prettig en meer ongedwongen is. Helaas voor jullie zal ook dat afnemen, en zullen jullie meer zoals wij worden. Met een steeds grotere druk op publicaties en productiviteit, en dat met steeds meer studenten. Het fabrieksmodel van bestuur dat met al zijn beperkingen de hele Westerse wereld doordrenkt. Want begrijp mij niet verkeerd: de campus van de UCLA is prachtig, maar Utrecht is hemels.’

Advertisements