De passie van…Ugur Ümit Üngör

‘Nederlandse studenten hebben maar weinig ambitie’. Utrecht heeft sinds kort een kosmopoliet in huis. Ugur Ümit Üngör vertelt aan de Aanzet over zijn passie voor de wetenschap, voor archiefonderzoek en voor koken: ‘Wokken is heel precies’.

‘De algemene ontwikkeling van de Nederlandse studenten is hoog’. Dat viel Ugur Ümit Üngör meteen op, toen hij terugkeerde uit het buitenland. Nederland staat momenteel op de derde plek in de Human Development Index van de UN. Maar volgens Üngör beseffen de Nederlandse studenten niet hoe goed ze het hebben. Ze hebben ook maar weinig ambitie. ‘In Amerika zijn studenten ambitieus: ze komen elke dag langs op het kantoor van hun docent omdat ze een tekst hebben gelezen, een vraag hebben of iets willen weten over stage. Dat is hier veel minder.’

Üngör komt uit een gezin waar onderwijs belangrijk was. ‘Bij mij thuis draaide het om onderwijs, onderwijs, onderwijs’. Zijn opa was leraar, evenals zijn vader. Zelfs zijn oma was opgeleid, dat geheel ongebruikelijk was in de jaren dertig en veertig in het conservatieve Oost-Turkije. Zijn moeder heeft in Nederland de HBO afgerond en gaf daarna Nederlandse les aan andere migranten vrouwen. Dat zijn ouders en grootouders opgeleid waren ‘had een trickle down effect’.

Zelf studeerde Üngör eerst sociale wetenschappen aan de UvA en daarna volgde hij de master Holocaust en Genocidestudies. Voor zowel zijn masterscriptie als voor zijn dissertatie ontving hij verschillende Nederlandse prijzen (zie kader). Op de vraag aan welke prijs hij de meeste waarde hecht is hij even stil. Op de achtergrond klinkt zachte rustige muziek. ‘Goede vraag’. Bedachtzaam: ‘Publicaties zijn belangrijk voor de erkenning van de universiteit, voor het instituut en voor het individu’. Maar meteen daarna relativeert hij zijn prijzen: ‘Het zijn máár Nederlandse prijzen, waar er veel van zijn’. Prijzen zijn leuk voor de erkenning, maar de wetenschap geeft hem vooral ‘wetenschappelijke voldoening’. Hij doet het niet voor het geld of voor de eer. Hij doet het voor zichzelf: ‘Zelfs als ik werkloos was geweest, zou ik dit nog doen’. Hij vindt wetenschap voor zichzelf belangrijk, maar: ‘Onderzoek doen is een verantwoordelijkheid: je moet ook je kennis delen en in debat gaan met anderen’.

Op de vraag waarom hij, als historicus met een Turkse achtergrond, zich juist bezig houdt met de Armeense genocide, antwoordt hij: ‘Veel mensen vragen me dat, vooral ook Armeniërs. En mijn standaardantwoord is dat ik me bezig wil houden met iets dat relevant is’. Hij vertelt dat hij tijdens zijn master Holocaust en Genocidestudies het boek ‘Rethinking the Holocaust’ van Yehuda Bauer had gelezen. Daarin werd de Holocaust vergeleken met andere genocides, waaronder de Armeense genocide. Het schokte hem dat hij, als Turk zijnde, niets wist over de Armeense genocide. Sindsdien doet hij hier onderzoek naar: hij is naar Turkije gegaan en heeft verschillende mensen geïnterviewd die zich de genocide nog konden herinneren. ‘Niemand daar ontkent de genocide. De staat ontkent het, maar de samenleving niet’. Daarop stelt hij een open vraag: ‘Waarom kunnen sommige samenlevingen wel goed omgaan met genocide en andere niet?’ Maar hij vindt dat het niet de taak van de historicus is om te moraliseren. ‘Het is moeilijk om amoreel te zijn, maar het moraliseren helpt niet om te begrijpen. Historici moeten verstehen’.

Met specialisaties in Armeense genocide en Turkse staatsvorming, kwam Üngör in Turkse en Russische archieven terecht. ‘Archiefonderzoek doen is leuk’. Hij gaat rechtop zitten: ‘Dan voel je je een echte historicus’. Enthousiast vertelt hij allerlei anekdotes over zijn ervaringen in archieven. ‘Er zijn twee dingen die archiefonderzoek moeilijk maken: de toegang tot de archieven en de politisering van de geschiedenis’. De toegang tot Europese archieven zijn goed geregeld, maar in Rusland of Armenië gaat het fout. ‘De stukken liggen niet klaar of de mensen daar zijn dronken. Maar ze hebben ook niets te doen: er komt daar niemand!’ Hij vertelt ook over de onzorgvuldigheid van de archieven. ‘Ik vroeg waar ik de archiefstukken kon vinden. De archiefbeheerder wees naar een kast bij een open raam en zei: ja, daar ergens’. Ontsteld: ‘Ik deed de kast open en de originele stukken lagen daar! Naast een open raam!’ Dat de toegang tot archieven in het Oosten niet goed geregeld is vindt hij lastig. Maar de politisering vindt hij eng. ‘We zijn machteloos. We zijn intellectuelen, geen politici. We kunnen niet aan de touwtjes trekken’.

Hij vertelt verder over cruciale archiefstukken die zullen leiden tot een historiografische discussie, over vergelijkingen tussen dictaturen en genocides en over de morele rol van de historicus. ‘Stalin pleegde genocide in vredestijd, Hitler tijdens oorlogstijd. Maar hoe komt het dat we Stalin niet moraliseren? Dat is een open vraag’. Hij noemt dit fenomeen ook een soort oriëntalisme: moord op anonieme Tsjetsjeense boeren maakt minder indruk op ons dan de moord op Nederlandse joden. De ontwikkeling waarin Hitler met Stalin wordt vergeleken vindt hij heel goed. Om zijn woorden kracht bij te zetten, steekt hij beide duimen op.

Dat Üngör grootste passie de wetenschap is, dat is duidelijk, Maar hij kan ook goed relativeren: ‘Je moet je eigen werk heel serieus nemen, maar jezelf minder’. Zo schrijft hij ook satirische essays over de wereld van de wetenschap. ‘Wetenschappers zijn geflipt. Ze zijn volkomen narcistisch zonder een legitieme reden. Als je een bekende historicus bent, dan kennen misschien 500 mensen je. Je bent geen Justin Timberlake’.

Behalve dat Üngör een gepassioneerde wetenschapper is, is hij ook een kosmopolitische wereldburger. Hij is in 1980 geboren in Turkije, maar is als baby naar Nederland gekomen.

Hij groeide op in Enschede waar hij al vroeg culturele grenzen overschreed. ‘Ik kom uit een Turks gezin, daarbuiten was ik in Nederland en vlak bij Enschede lag weer de Duitse grens’. Zijn familie woont in Duitsland, maar ook in Istanbul. Elk jaar ging het gezin met de auto op reis naar zijn familie in Turkije, waarbij ze door verschillende Europese landen reisden. Tijdens zijn studie is hij ook in Frankrijk, Duitsland en Noord-Amerika geweest en voor zijn dissertatie deed hij onderzoek in Turkije en Oost-Polen. Voordat hij naar Utrecht kwam, gaf hij colleges op de University of Sheffield en op de universiteit in Dublin . Wanneer hij tijdens het interview enthousiast wordt, blijkt zijn wereldburgerschap: onbewust doorspekt hij zijn zinnen met Engelse woorden.

In zijn vrije tijd kookt Üngör graag. In de Turkse cultuur is eten belangrijk: vooral vrouwen kunnen goed koken. Mannen juist niet, maar daarin is hij een uitzondering. ‘Als mijn moeder aan het koken was, keek ik mee. Vooral toen ik op kamers ging, leerde ik goed koken’. Maar koken is voor hem ook afleiding van zijn werk. Het is even iets heel anders, na zes uur lezen of schrijven. Toch vindt hij dat koken op het schrijven van een boek lijkt: ‘Je moet de balans vinden in de kruiden en de consistentie’. Ook is de compositie bij het koken van belang, net als bij schrijven. Op een serieuze toon: ‘Wokken is heel precies’. En dan verbaasd: ‘Ik had niet verwacht in dit interview over wokken te praten’. Maar ook bij zijn passie voor koken weet hij een lijn te trekken naar de wetenschap. ‘De wereld van voedsel is eigenlijk net zo kosmopolitisch als de wereld van de wetenschap’.

Zijn satirische essays over narcistische wetenschappers zijn te vinden op www.sociologischmokum.nl